← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9511

08/3757 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2008, 07/2210 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant is gereageerd bij brief van 26 maart

  1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april
  2. Appellant is met bericht vooraf niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen. II. OVERWEGINGEN 1.
  3. Appellant, geboren in Marokko, heeft in de periode van 1990 tot 1992 in Nederland in loondienst gewerkt. In juli 1992 is appellant naar Marokko gereisd, waar hij zich bij het kantoor van de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) met ingang van 15 juli 1992 heeft ziek gemeld. In de jaren 1992, 1994 en 1995 heeft appellant zich meerdere malen bij de CNSS gemeld. 1.
  4. Bij brieven van 7 mei 2002 en 2 september 2002 heeft appellant bij het Uwv geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot zijn aanvraag om uitkering op grond van het wegens ziekte niet in staat zijn tot werken. Bij brief van 11 februari 2003 heeft mr. Van den Brom namens appellant wederom geïnformeerd naar de stand van zaken. Bij brief van 13 mei 2003 heeft mr. Van den Brom verwezen naar de meldingen door appellant bij de CNSS en gesteld dat die meldingen, ingevolge jurisprudentie van de Raad, moeten worden gezien als een aanvraag om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, en dat op een aanvraag een beslissing behoort te komen. In ieder geval dient er, zo is in die brief gesteld, een beslissing ingevolge de Ziektewet (ZW) te komen en een einde wachttijd beslissing. Verzocht wordt om die beslissingen aan de gemachtigde te doen toekomen. Bij brief van 16 december 2004 is namens appellant gerappelleerd en gevraagd om een beslissing. 1.
  5. Bij brief van 24 maart 2005 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op het door hem ingediende verzoek om toekenning van ziekengeld. Op 21 november 2006 is namens appellant beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op het bij brief van 24 maart 2005 gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag van 15 juli 1992 om toekenning van een uitkering ingevolge de ZW. Dit beroep is vervolgens ingetrokken omdat het Uwv bij besluit van 28 februari 2007 alsnog op de aanvraag om toekenning van een ZW-uitkering heeft beslist. 1.
  6. Bij het besluit van 28 februari 2007 is de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de tijd die is verstreken tussen 15 juli 1992 en het verzoek van 13 mei 2003 om afgifte van een besluit niet meer kan worden gezien als een redelijke termijn waarbinnen een dergelijk verzoek nog te honoreren zou zijn. 1.
  7. Bij besluit van 23 april 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag gegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2007 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
  8. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het Uwv bij brief van 13 juli 2007 als zijn standpunt te kennen gegeven dat, gelet op artikel 6:12, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het bezwaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Omdat pas op 24 maart 2005 bezwaar is gemaakt tegen het uitblijven van een besluit, is het bezwaarschrift, zo stelt het Uwv, onredelijk laat ingediend.
  9. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat het Uwv bij besluit van 13 juli 2007 een nieuw besluit heeft genomen waarmee niet geheel wordt tegemoet gekomen aan het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2007, zodat het beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 13 juli
  10. Vervolgens heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 23 april 2007 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 13 juli 2007 ongegrond. De rechtbank heeft met betrekking tot het besluit van 13 juli 2007 overwogen dat het bezwaar ook naar haar oordeel onredelijk laat, namelijk ruim twintig maanden na het verzoek van 13 mei 2003, is ingediend en dat het op grond van artikel 6:12, derde lid, van de Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 13 juli 2007 geen verboden “reformatio in peius” inhoudt, omdat appellant niet enkel ten gevolge van een bezwaar of beroep in een nadeliger positie is komen te verkeren
  11. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het besluit van 13 juli 2007 niet in rechte stand kan houden, omdat het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag al gegrond was verklaard bij het besluit van 23 april 2007, waarvan het Uwv nu niet meer kan terugkomen.
  12. De Raad overweegt als volgt. 5.
  13. Het hoger beroep van appellant, dat is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 13 april 2007 ongegrond is verklaard, treft naar het oordeel van de Raad geen doel. Ook de Raad is van oordeel dat, nadat namens appellant bij brief van 13 mei 2003 was gevraagd om een beslissing op de aanvraag om toekenning van een ZW-uitkering, het op 24 maart 2005 gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een besluit onredelijk laat is ingediend. Ingevolge artikel 6:12, derde lid, van de Awb, moet het bezwaar dan niet-ontvankelijk worden verklaard. De omstandigheid dat het Uwv reeds eerder had beslist op het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag - bij besluit van 23 april 2007 heeft het Uwv dat bezwaar immers gegrond verklaard - brengt niet mee dat het Uwv de mogelijkheid moet worden ontzegd om alsnog het besluit van 13 juli 2007 te nemen. De Raad overweegt daartoe dat bij het besluit van 13 juli 2007 toepassing is gegeven aan een bepaling omtrent de tijdigheid van het indienen van bezwaar of beroep, welke bepaling van openbare orde is. 5.
  14. Op grond van het overwogene onder 5.1 is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor zover in geschil dient te worden bevestigd.
  15. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni
  16. (get.) Ch. van Voorst. (get.) R.L. Rijnen. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.