08/7015 WAJONG en 09/6057 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 30 oktober 2008, 08/1506 (hierna: aangevallen uitspraak 1), en 25 september 2009, 07/4047 (hierna: aangevallen uitspraak 2), in de gedingen tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.P.M. Meuwese, advocaat te Waalwijk, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Namens appellant zijn bij schrijven van 20 april 2010 nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft daarop gereageerd met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman van 23 april
- Het onderzoek ter zitting in beide gedingen heeft gevoegd plaatsgevonden op 4 mei
- Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant, geboren [in] 1971, is als gevolg van een meningitis op 15-jarige leeftijd aan beide oren doof geworden. Na zijn 18e verjaardag heeft appellant bij verschillende werkgevers als houtbewerker gewerkt, laatstelijk als voltijds timmerman bij [werkgever]. te [vestigingsplaats] in de periode van 27 september 1999 tot 1 september
- Na beëindiging van deze dienstbetrekking is appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) verstrekt. 1.
- Vanuit deze uitkeringssituatie heeft appellant zich op 17 oktober 2002 ziek gemeld met spanningsklachten, allergie en een oorontsteking. Na het voltooien van de wachttijd is appellant met ingang van 15 oktober 2003 niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), onder overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. 1.
- Appellant is wederom een WW-uitkering verstrekt en heeft zich per 17 juli 2006 ziek gemeld met spannings- en evenwichtsklachten. Na acceptatie voor de Ziektewet (ZW) is appellant door de verzekeringsarts L.I.G.M. Cools met ingang van 12 maart 2007 niet langer ongeschikt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Appellant was volgens deze arts na de plaatsing van een cochleair implantaat in december 2006 zodanig genezen dat hij in dezelfde medische toestand verkeerde als ten tijde van de laatste WAO-beoordeling. Bij besluit van 9 maart 2007 heeft het Uwv appellant ingaande 12 maart 2007 verdere uitkering ingevolge de ZW geweigerd. Bij besluit van 16 juli 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. 1.
- Op 11 januari 2007 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd in verband met vóór zijn 17e verjaardag als gevolg van doofheid, duizeligheid en spanningsklachten - snel geïrriteerd en geagiteerd - ingetreden arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts heeft appellant op 13 juni 2007 op het spreekuur gezien en heeft gerapporteerd dat de klachten van duizeligheid en evenwicht ten tijde van de 18e verjaardag van appellant nog niet aanwezig waren. Hij heeft beperkingen gesteld in verband met het gehoor, conflicthantering en samenwerken met anderen, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 juni
- Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige P.J. Beliën functies geselecteerd, die appellant met zijn beperkingen op zijn 18e verjaardag zonder verlies aan verdiencapaciteit kon vervullen. De arbeidsdeskundige is er daarbij van uitgegaan, dat bij het vervullen van deze functies de werkomgeving voldoende ruimte biedt voor communicatie met liplezen en dat appellant na zijn 18e levensjaar bij verschillende werkgevers in niet-beschermde arbeid voltijds heeft gewerkt. Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het Uwv appellant met ingang van 2 april 1989 een arbeidsongeschiktheidsuitkering geweigerd omdat appellant op en na die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 19 februari 2008 is het tegen het besluit van 3 juli 2007 ingediende bezwaar ongegrond verklaard. 2.
- Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 februari 2008 (hierna: bestreden besluit 1) gegrond verklaard en dit besluit vernietigd onder instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft daartoe inzake de medische grondslag van het bestreden besluit 1 overwogen, dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Ten aanzien van de evenwichts- en psychische klachten heeft de rechtbank, met verwijzing naar de gedingstukken, waaronder de op 23 september 2003 door de huisarts P.C. van Bavel aan de KNO-arts A.M.L. den Heeten toegestuurde verwijzingsbrief, geoordeeld dat die niet eerder die rol speelden, die appellant thans retrospectief daaraan toekent. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant bij zijn huisarts niet eerder dan op 2 augustus 2003 melding heeft gemaakt van duizeligheidsklachten en zich niet met psychische klachten heeft gemeld. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 2 heeft de rechtbank geoordeeld, dat eerst in beroep alle signaleringen bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies door de bezwaararbeidsdeskundige van een voldoende motivering zijn voorzien en dat daaruit volgt dat de functies houtwarensamensteller, productiemedewerker industrie en samensteller metaalwaren in medisch opzicht passend zijn. 2.
- Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juli 2007 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan het oordeel van de door haar ingeschakelde neuropsychiater D.H.J. Boeykens, die volgens zijn rapport van 11 februari 2009 appellant op 12 maart 2007 in staat achtte drie van de vier aan de voorgaande WAO-beoordeling ten grondslag gelegde functies te vervullen. Met verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad, dat van ongeschiktheid in de zin van de ZW in de hier aan de orde zijnde situatie geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag zijn gelegd aan de - voorafgaande - WAO-schatting, heeft de rechtbank dit als een voldoende basis voor de onderhavige weigering van ziekengeld aangemerkt. 3.
- In het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 is door appellant naar voren gebracht, dat het in dit geding gaat om de verdiencapaciteit van appellant op zijn 17e verjaardag maar dat door het Uwv vanwege het ontbreken van voldoende medische gegevens uit die periode feitelijk, en naar het oordeel van appellant ten onrechte, wordt uitgegaan van de beoordeling in
- Bij het Uwv zou nog informatie beschikbaar moeten zijn over de subsidies die destijds aan de betreffende werkgevers zijn verleend vanwege de arbeidsongeschiktheid van appellant. Voorts is aangevoerd dat er destijds ook dusdanige psychische problematiek speelde dat appellant in combinatie met de overige beperkingen arbeidsongeschikt was in de zin van de Wajong. Nadien heeft de gemachtigde van appellant nadere medische gegevens uit 1987 en 1989 alsmede brieven van de sociale dienst uit 1988 en 1989 van de gemeente Loon op Zand aan (de vader van) appellant in het geding gebracht. Ter zitting heeft appellant betoogd dat uit de brief van de KNO-arts dr. H. Festen van 24 november 1987 blijkt, dat het evenwichtsorgaan van appellant toen al volledig was uitgevallen. Voorts leidt hij uit een brief van voornoemde sociale dienst, waarin appellant in 1989 toestemming is verleend om met behoud van zijn uitkering - ingevolge de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (RWW) -werkzaamheden te verrichten voor [werkgever 2] te [vestigingsplaats], af dat de sociale dienst daarmee uitdrukkelijk de arbeidsongeschiktheid van appellant in zijn 17e levensjaar erkent. 3.
- Het Uwv heeft in reactie daarop gesteld, dat appellant vóór 1 januari 1997 geen relatie had met het Uwv of haar rechtsvoorgangers en dat de aanvaarding van arbeidsverhoudingen door appellant onder verstrekking van werkgeverssubsidie niet betekent dat het Uwv zou moeten beschikken over medische informatie. De bezwaarverzekeringsarts Hoffman heeft in reactie op de bij het schrijven van 20 april 2010 ingebrachte medische stukken aangegeven, dat hieruit niet blijkt van andere beperkingen/aandoeningen rond het 17e jaar van appellant die onafgebroken 52 weken hebben geduurd. 3.
- In het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellant aangevoerd, dat hij voor de functies van schilder, spuiter, productiemedewerker en transportmedewerker niet geschikt is vanwege zijn medische problematiek en dat ook de door de rechtbank ingeschakelde deskundige deze mening is toegedaan. Daaraan is toegevoegd dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige onvoldoende is ingegaan op de belemmeringen die het bij appellant geplaatste cochleair implantaat oplevert bij het verrichten van arbeid. 3.
- In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat de deskundige wel degelijk de effecten van het cochleair implantaat in de beoordeling heeft betrokken en dat in overeenstemming met de jurisprudentie van de Raad minimaal één van de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies geschikt is bevonden. 08/7015 WAJONG 4.
- De Raad stelt allereerst vast dat het hoger beroep zich slechts richt tegen aangevallen uitspraak 1 voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand zijn gelaten. 4.
- Naar vaste jurisprudentie van de Raad - zie onder meer de uitspraak van de Raad van 6 maart 2007, LJN BA0905 - dienen aanspraken van de verzekerde in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum waarop de aanspraak betrekking heeft. Ten aanzien van de weigering van het Uwv om appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen, overweegt de Raad in de eerste plaats dat deze weigering, gelet op de van toepassing zijnde regelgeving op de datum waarop die aanspraak betrekking heeft, inhoudelijk gezien, beoordeeld dient te worden op en na datum einde wachttijd, 2 april 1989, aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). 4.
- Met betrekking tot de omstreden medische grondslag van het bestreden besluit 1 stelt de Raad voorop dat het hier gaat om een beoordeling van de gezondheidstoestand van appellant op een in het verdere verleden gelegen datum. Het sterke retrospectieve karakter van de onderhavige beoordeling is het gevolg van de omstandigheid dat appellant eerst op 11 januari 2007 om toekenning van Wajong-uitkering heeft verzocht. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 27 maart 2008, LJN BC8066, dient in gevallen van een late melding het risico van onduidelijkheid voor rekening van betrokkene te blijven. 4.
- Tegen deze achtergrond bezien heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de beperkingen van appellant, zoals vastgelegd in de FML van 15 juni
- Ten aanzien van de evenwichtsklachten van appellant stelt de Raad vast dat uit de brief van 24 november 1987 van de KNO-arts dr. Festen naar voren komt dat het evenwichtsorgaan van appellant destijds al volledig was uitgevallen. Met de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat uit de beschikbare gegevens niet blijkt dat appellant eerder dan op 2 augustus 2003 melding heeft gemaakt van duizeligheidsklachten. Mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat appellant in de periode van 1999 tot 2002 bij een aantal werkgevers kennelijk goed gefunctioneerd heeft, is ook de Raad van oordeel, dat de uitval van het evenwichtsorgaan tot 2003 voor appellant kennelijk niet tot beperkingen bij het verrichten van arbeid heeft geleid. De Raad laat daarbij meewegen dat de door de KNO-arts dr. Festen in zijn voornoemde brief geschetste evenwichtsproblematiek zich voordoet in het donker, onder water en bij fietsen en motorrijden en derhalve in de regel niet in de weg zal staan aan het overdag verrichten van productieve arbeid. Ook ten aanzien van de psychische klachten sluit de Raad zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat appellant al in 1988/1989 last had van ernstige belemmeringen op het psychische vlak. 4.
- Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 1 overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige G.C.M. van Heeswijk in zijn rapport van 26 augustus 2008 voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de functies van samensteller, productiemedewerker industrie en samensteller metaalwaren qua belasting de belastbaarheid van appellant niet te boven gaan. De omstandigheid dat appellant door zijn doofheid communicatief ernstig beperkt is, is daarbij door de bezwaararbeidsdeskundige expliciet in de beoordeling betrokken. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige S.C. Kuiken in zijn rapport van 15 februari 2008 naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd, dat appellant op en na zijn 18e verjaardag bij diverse reguliere werkgevers in niet-beschutte arbeid en zonder voorzieningen een langere tijd heeft gewerkt. De geselecteerde functies zijn eenvoudige productiefuncties waarvan mag worden aangenomen dat zij in een vergelijkbare vorm in 1989 op de arbeidsmarkt voorkwamen. In theorie en praktijk is daarmee ook volgens de Raad aangetoond dat appellant op zijn 18e verjaardag in een voltijdse werkweek, zonder aanpassingen of begeleiding tenminste het wettelijk minimumloon kon verdienen. Voor zover hieromtrent twijfel bestaat is de Raad van oordeel dat dit onder de gegeven omstandigheden voor rekening en risico van appellant dient te komen. 4.
- In dit oordeel ligt besloten dat de Raad uit de door de sociale dienst aan appellant verleende toestemming om met behoud van RWW-uitkering werk te verrichten bij [naam timmerfabriek] te [woonplaats], anders dan appellant, niet vermag af te leiden dat appellant toen al volledig arbeidsongeschikt was. 4.
- Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Het Uwv heeft zich, naar uit het bestreden besluit 1 blijkt, gebaseerd op de bepalingen van de Wajong. Echter, gelet op het feit dat de Wajong eerst met ingang van 1 januari 1998 in werking is getreden, had het Uwv de aanvraag moeten beoordelen aan de hand van de AAW. Aangezien het materieel in beide wetten om nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat leest de Raad het bestreden besluit 1 als een handhaving van de weigering om een AAW-uitkering toe te kennen. 4.
- Hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. 09/6057 ZW 5.
- Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of aangevallen uitspraak 2 stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. 5.
- Hetgeen de gemachtigde van appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met diens gronden in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in aangevallen uitspraak 2 neergelegde oordeel van de rechtbank. In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad kent daarom bij zijn oordeelsvorming, evenals de rechtbank, doorslaggevende betekenis toe aan het standpunt van de door de rechtbank ingeschakelde neuropsychiater Boeykens. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat deze deskundige de effecten van het bij appellant geplaatste cochleair implantaat, naar blijkt uit zijn schrijven van 20 mei 2009, in zijn beoordeling heeft betrokken. 5.
- Hetgeen in 5.2 is overwogen leidt de Raad tot het oordeel dat aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten; Bevestigt aangevallen uitspraak
- Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) R.L. Venneman. TM