← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9780

08/6662 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2008, 08/837 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Korpsbeheerder van de politieregio [politieregio] (hierna: korpsbeheerder) Datum uitspraak: 10 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.G.M. Lamers, advocaat te Utrecht, en de korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de politieregio [politieregio]. II. OVERWEGINGEN
  2. Voor een meer uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.
  3. Appellante was sinds 17 juli 2005 bij de politieregio [politieregio] werkzaam in de rang van hoofdagent en geplaatst in de executieve functie van medewerker basis-politiezorg. Naar aanleiding van bij het Bureau Interne Zaken ontvangen informatie is eind 2006 in opdracht van de korpsleiding een disciplinair onderzoek ingesteld naar een aantal gedragingen van appellante. In een rapport van 28 februari 2007 zijn de resultaten van dit onderzoek neergelegd. 1.
  4. Bij besluit van 19 juni 2007 heeft de korpsbeheerder appellante met ingang van 22 juli 2007 eervol ontslag verleend op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. 1.
  5. Bij besluit van 17 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de korpsbeheerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 juni 2007 ongegrond verklaard. De korpsbeheerder heeft aan het ongeschiktheidsontslag ten grondslag gelegd dat appellante: - een veiligheidsrisico vormt voor de politieorganisatie vanwege haar relatie met W.Z., wiens zoon (A.Z.) volgens de informatie uit de politiesystemen te boek staat als een zware crimineel; - deze relatie niet bij haar leidinggevende heeft gemeld en, nadat de korpsleiding haar te kennen had gegeven van oordeel te zijn dat deze relatie een veiligheidsrisico oplevert voor het korps, heeft geweigerd haar relatie met W.Z. te verbreken; - in strijd met de regels over een periode van negen dagen 19 maal de politiesystemen voor privé-doeleinden heeft geraadpleegd, waarbij zij onder meer W.Z. en A.Z. heeft bevraagd. Dit levert naar de mening van de korpsbeheerder in samenhang een risico op voor de integriteit van appellante en voor het korps, waardoor hij appellante ongeschikt acht als politieambtenaar.
  6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit van 17 januari 2008 ongegrond verklaard.
  7. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de korpsbeheerder op goede gronden van oordeel was dat appellante ongeschikt is te achten voor de vervulling van haar functie van politieambtenaar. De Raad overweegt als volgt. 4.
  8. Met de rechtbank en de korpsbeheerder is de Raad van oordeel dat van appellante mocht worden verwacht dat zij haar relatie met W.Z. bij haar leidinggevende had gemeld nadat zij op de hoogte was gekomen van de criminele antecedenten van zijn zoon. De stelling van appellante dat zij niet tot het melden, dan wel het verbreken, van de relatie met W.Z. verplicht was omdat W.Z. zelf van onbesproken gedrag was en hij nauwelijks contact had met zijn zoon kan naar het oordeel van de Raad geen doel treffen. Terecht stelt de korpsbeheerder zich op het standpunt dat het niet aan appellante, maar aan het bevoegde gezag is om een inschatting van de veiligheidsrisico’s voor het korps te maken. Door bewust af te zien van melding en met haar keuze om zelf de veiligheids-risico’s in te schatten, heeft appellante niet iedere schijn van belangenverstrengeling dan wel van een schending van de ambtelijke integriteit weten te vermijden. Appellantes integriteit is vervolgens verder in gedrang gekomen toen zij heeft geweigerd haar relatie met W.Z. te verbreken, nadat de korpsleiding haar uitdrukkelijk te kennen had gegeven van oordeel te zijn dat deze relatie een veiligheidsrisico oplevert voor het korps. 4.
  9. Dat er een veiligheidsrisico bestond onderschrijft de Raad. Daartoe acht de Raad bepalend dat uit de stukken afdoende naar voren komt, hetgeen door appellante ook niet wordt bestreden, dat er ten tijde hier van belang contacten bestonden tussen W.Z. en zijn zoon. Dat het daarbij niet om regelmatige contacten ging, zoals appellante heeft betoogd, acht de Raad daarbij niet van beslissende betekenis, nu gezien de aard van de relatie (vader en zoon) verdere en meer uitgebreide contacten tussen W.Z. en A.Z. niet volledig zijn uit te sluiten en het zelfs niet ondenkbaar is te achten dat appellante, gelet op haar relatie met W.Z., chantabel zou worden. 4.
  10. Vorenstaande gedragingen en houding van appellante, bezien in onderlinge samen-hang, brengen de Raad tot het oordeel dat de korpsbeheerder terecht heeft geoordeeld dat appellante er blijk van heeft gegeven niet te beschikken over het voor het uitoefenen van het politieambt vereiste inzicht in de veiligheidsrisico’s die hieraan zijn verbonden, zodat zij ongeschikt is te achten voor de vervulling van haar functie van politieambtenaar. Naar het oordeel van de Raad kon de korpsbeheerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid besluiten appellante op die grond ontslag te verlenen.
  11. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  12. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni
  13. (get.) J.G. Treffers. (get.) B. Bekkers. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.