← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9870

08/4583 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende [woonplaats] (Duitsland) (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2008, 07/3324 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn nadere -medische- stukken in het geding gebracht. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op een door de Raad gestelde vraag. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei

  1. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. R.A. Severijn, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek. II. OVERWEGINGEN
  2. Aan appellante was een uitkering ingevolge de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling ingevolge het per 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit is bij besluit van 2 oktober 2006 die uitkering door het Uwv met ingang van 3 december 2006 ingetrokken op de grond dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 oktober 2006, is bij besluit van 4 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard en appellantes uitkering is per 30 juni 2007 ingetrokken. Aan de genoemde besluiten liggen verzekeringsgenees-kundige en arbeidskundige rapporten ten grondslag.
  3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  4. Appellante heeft in hoger beroep dezelfde gronden aangevoerd die zij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. Appellante stelt dat zij zwaarder beperkt is dan door de artsen van het Uwv is aangenomen en dat haar standpunt dat zij niet in staat is arbeid te verrichten door meerdere artsen wordt onderschreven. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante diverse medische stukken overgelegd. Appellante is voorts van mening dat het vervallen van beperkingen, welke geruime tijd op basis van gelijk gebleven klachten werden aangenomen, door de artsen van het Uwv onvoldoende is onderbouwd.
  5. Het oordeel van de Raad. 4.
  6. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de primair verzekeringsarts appellante op het spreekuur heeft gezien en een volledig onderzoek heeft verricht. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts alvorens de rapportage op te maken dossierstudie verricht en verkregen informatie van de behandelend sector meegewogen. Ook heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht geoordeeld dat geen aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de door de primaire verzekeringsarts aangenomen belastbaarheid van appellante, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 september 2006, door de bezwaarverzekeringsarts, rekening houdende met verkregen informatie van de appellante behandelend neuroloog/psychiater en gynaecoloog, gemotiveerd is onderschreven. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de belastbaarheid van appellante is vastgesteld. 4.
  7. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij meer beperkt is dan door de artsen van het Uwv is aangenomen heeft appellante in hoger beroep diverse medische stukken in het geding gebracht. Ten aanzien van deze stukken overweegt de Raad dat een aantal van deze stukken, al dan niet gedeeltelijk zoals het afschrift van de medische kaart, het rapport van dr. H. Neumann van 20 augustus 2004 en het rapport van J. Kerner van 26 april 2007, reeds door de bezwaarverzekeringsarts bij zijn overwegingen zijn betrokken. Wat betreft de overige, nog niet eerder in geding gebrachte medische gegevens, oordeelt de Raad in het voetspoor van het rapport van 18 maart 2010 van de bezwaarverzekeringsarts E. Vastert dat uit deze stukken niet blijkt dat de artsen van het Uwv appellante ten onrechte per de datum in geding tot de normaalwaarde van de FML belastbaar hebben geacht. De Raad ziet, gelet op het vorenstaande dan ook geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige. 4.
  8. Ter zitting is namens appellante -samengevat- aangevoerd dat de door het Uwv gegeven motivering met betrekking tot de vervallen, jarenlang aangenomen, beperkingen niet toereikend is en voorts namens appellante een beroep gedaan op de jurisprudentie zoals onder meer weergegeven in de uitspraak van de Raad van 5 juni 2009 LJN BIS
  9. 4.
  10. Wat betreft het vervallen van eerder door de artsen van het Uwv ten aanzien van appellante aangenomen beperkingen is de Raad anders dan appellante van oordeel dat in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker van 17 april 2007 uitgebreid en duidelijk gemotiveerd staat aangegeven waarom de in het kader van eerdere schattingen aangenomen beperkingen niet langer worden gehandhaafd en de FML zonder beperkingen, zoals de primair verzekeringsarts heeft opgesteld, wordt onderschreven. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden deze motivering van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. 4.
  11. Ingevolge onder 4.3 bedoelde jurisprudentie, kan in bijzondere gevallen worden aangenomen dat sprake is van het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen en mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid (objectiverings-eis), ook al is niet duidelijk aan welke ziekte of welk gebrek het onvermogen arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In deze bijzondere gevallen geldt de minimum-eis dat bij medisch (onafhankelijk) deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting bestaat dat een verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de geduide functies te verrichten. Gelet op alle, op de datum in geding betrekking hebbende, medische stukken is de Raad van oordeel dat aan de eerder gestelde minimum-eis niet wordt voldaan. 4.
  12. Met betrekking tot de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante op juiste gronden voor haar geschikt zijn geacht overweegt de Raad als volgt. Ten behoeve van de schatting zijn 5 functies geselecteerd, waarvoor appellante geschikt is te achten. Ter zitting is door het Uwv opgemerkt dat een van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies, te weten de functie Magazijnmedewerker met Sbc-code 315020, moet vervallen wegens het feit dat met betrekking tot de signalering bij aspect 7.3.
  13. geen overleg met de bezwaarverzekeringsarts heeft plaatsgevonden. Voorts is ter zitting door het Uwv gesteld dat de reservefunctie van ‘operator chemische en kunststofverwerkende industrie’ met Sbc-code 271122 aan de onderhavige schatting ten grondslag kan worden gelegd. Nu ondanks het vervallen van de functie magazijnmedewerker de mediaanfunctie, en dus ook het mediaanloon, gelijk blijft is geen sprake van een wijziging in de eerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Gelet op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige is voorts, naar het oordeel van de Raad, een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de geschiktheid van de drie functies die -uiteindelijk- aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. 4.
  14. Hetgeen in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  15. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni
  16. (get.) Ch. van Voorst. (get.) A.L. de Gier. EF

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.