← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9934

09/2211 WAJONG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant]n, wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 maart 2009, 08/694 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H.D.G. Thissen-van Zwijndregt, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2010, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.

  1. Appellant is geboren [in] 1964 in Libanon. Op 6 april 1987 is hij naar Nederland gekomen en Nederlands ingezetene geworden. Op 26 april 2007 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Hij heeft daarbij aangegeven vanaf 1984 arbeidsongeschikt te zijn. 1.
  2. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 september 2007 de aanvraag afgewezen. Deze afwijzing berust op de grond dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is vastgesteld op 10 maart 1983 en dat appellant op het moment dat zijn verzekering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)/ Wajong een aanvang nam, 6 april 1987, al volledig arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft aanleiding gezien deze arbeidsongeschiktheid blijvend buiten aanmerking te laten, waarbij ervan is uitgegaan dat appellant niet verkeert in de situatie dat hij als jonggehandicapte gedurende zes jaar onmiddellijk voorafgaand aan zijn 17e verjaardag in Nederland heeft gewoond.
  3. Bij besluit van 31 maart 2008, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 september 2007 ongegrond verklaard.
  4. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft onder meer overwogen dat de verzekeringsarts J.G.M. Poels de eerste arbeidsongeschiktheidsdag met juistheid heeft bepaald op 10 maart
  5. Appellant stelt zich in hoger beroep, evenals in beroep, op het standpunt dat ten onrechte in bezwaar geen medische heroverweging heeft plaatsgevonden. Hij bestrijdt voorts dat hij al bij zijn komst naar Nederland in 1987 volledig arbeidsongeschikt was door het hersenletsel als gevolg van een schot in zijn hoofd op 10 maart 1983 in Libanon. Appellant is van mening dat dit hersenletsel hem bij de aankomst in Nederland in 1987 niet verhinderde arbeid te verrichten. Hij meent dat hij pas enige jaren later volledig arbeidsongeschikt is geraakt als gevolg van epilepsie.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
  7. De Raad stelt met appellant vast dat het Uwv, voorafgaand aan het bestreden besluit, niet het oordeel van een bezwaarverzekeringsarts heeft gevraagd, terwijl de bezwaren van appellant medisch van aard waren en aan het bestreden besluit een medisch oordeel ten grondslag ligt. In de aangevallen uitspraak is miskend dat het Uwv hiermee voorbij is gegaan aan het heroverwegingskarakter van de bezwaarprocedure, zoals neergelegd in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak geen stand kunnen houden. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen omdat het onvoldoende is gemotiveerd. 5.
  8. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven en overweegt daartoe het volgende. 5.
  9. Appellant heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Wajong, omdat hij – in elk geval ten tijde van de aanvraag – van mening was dat hij een jonggehandicapte is. Om deze aanvraag te beoordelen dient de situatie van appellant te worden bezien op zijn 17e verjaardag, 11 april
  10. Omdat de bepalingen van de Wajong op die datum nog niet van kracht waren moet, op grond van het bij de inwerkingtreding van de Wajong op 1 januari 1998 gegeven overgangsrecht, de beoordeling plaatsvinden aan de hand van de bepalingen van de AAW. 5.
  11. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op zijn 17e verjaardag geen ingezetene was van Nederland en dat hij op die dag niet arbeidsongeschikt was in de zin van de AAW, zodat hij - gelet op het bepaalde in de artikelen 4 en 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW - niet als jonggehandicapte als bedoeld in deze wet kan worden aangemerkt. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of appellant op het tijdstip waarop zijn verzekering ingevolge de AAW een aanvang nam, 6 april 1987, volledige arbeidsongeschikt was. 5.
  12. De Raad ziet, mede gelet op het in de hoger beroepsprocedure uitgebrachte en overtuigend gemotiveerde rapport van 29 december 2009 van de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker geen reden het standpunt van het Uwv voor onjuist te houden dat het schietincident van 10 maart 1983 van de aanvang af heeft geleid tot een verlamming van de linker lichaamshelft, een matige loopfunctie, zeer beperkt gebruik van de linkerarm, moeizame spraak, trage en onhandige bewegingen en passiviteit. De Raad heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen die zijn neergelegd in de door Jonker geaccordeerde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 juni 2007 een onjuist beeld geven van de gezondheidstoestand van appellant bij de aanvang van zijn verzekering op 6 april
  13. Evenmin twijfelt de Raad aan de juistheid van het standpunt van Jonker dat het tijdstip waarop de epilepsie is ontstaan niet van wezenlijk belang is omdat de epilepsie in de situatie van appellante niet leidt tot het aannemen van meer of ernstiger beperkingen. Van de zijde van appellant is de juistheid van die FML ook niet wezenlijk bestreden en in elk geval heeft appellant zijn standpunt niet met medische stukken onderbouwd. 5.
  14. Uitgaande van de juistheid van de in de FML opgenomen arbeidsbeperkingen per 6 april 1987 is de Raad niet gebleken dat er per die datum functies zijn te duiden waarmee appellant een inkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft appellant dan ook per die datum terecht volledig arbeidsongeschikt in de zin van de AAW geacht. De omstandigheid dat appellant na het schietincident in 1984 nog het einddiploma van de middelbare school heeft verkregen acht de Raad niet van doorslaggevend belang nu de omstandigheden waaronder appellant dat diploma heeft ontvangen niet bekend zijn en nu – slechts – van belang is of er loondienstfuncties kunnen worden aangewezen die appellant met de bij hem aanwezige medische beperkingen op 6 april 1987 kon verrichten, en waaruit de voor hem geldende resterende verdiencapaciteit kan worden afgeleid. 5.
  15. Gelet op hetgeen in 5.5 en 5.6 is overwogen was het Uvw op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a. van de AAW, bevoegd de aanspraken van appellant buiten aanmerking te laten. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gesteld dat het Uwv met zijn besluit de aanspraken van appellant geheel en blijvend buiten aanmerking te laten niet op een redelijke wijze van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
  16. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen tot de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,00 voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 9,00 aan reiskosten in beroep (totaal € 653,00) en op € 644,00 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 39,90 aan reiskosten in hoger beroep, (totaal € 683,90). III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende; Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.336,90, waarvan € 683,90 te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,00 (€ 39,00 in beroep en € 110,00 in hoger beroep) vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni
  17. (get.) Ch. van Voorst. (get.) A.L. de Gier. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.