← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9972

Uitspraak 06/7039 WAO (Gerectificeerde uitspraak) Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2006, 05/4717 in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei

  1. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. W.H. Benard, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. Na de behandeling van het geding ter zitting van 27 mei 2009 heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen. Bij brief van 21 juli 2009 heeft het Uwv de Raad een nieuwe beslissing op bezwaar van 21 juli 2009 doen toekomen. Bij dit besluit heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 16 augustus 2005 ongewijzigd voortgezet naar 80 tot 100%. Bij brief van 13 augustus 2009 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van proceskosten en diverse schadeposten. Het Uwv heeft verweer gevoerd. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 juni 2010, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt. 1.
  3. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. 1.
  4. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
  5. De Raad stelt vast dat het Uwv met het nieuwe besluit van 21 juli 2009 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen
  6. Vergoeding van proceskosten. 3.
  7. Appellant heeft verzocht om veroordeling van het Uwv in de ter zake van het beroep en hoger beroep gemaakte kosten van rechtsbijstand en reiskosten voor het bijwonen van de zittingen, alsmede de kosten van het op zijn verzoek bij de rechtbank uitgebrachte rapport van psycholoog H.P. Stulp van 5 november 2005 en het in hoger beroep uitgebrachte rapport van 19 februari 2010 van belastingadviseur A.J. Noordzij. 3.
  8. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van het bepaalde in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden in beroep begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 4,40 voor reiskosten en in hoger beroep begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 18,48 voor reiskosten. 3.
  9. Met betrekking tot de vordering van de kosten van het uitgebrachte rapport van Stulp is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) komt appellant bij een door Stulp bestede tijd van in totaal 6,5 uur een forfaitaire vergoeding toe van € 528,-. Dit is gebaseerd op het voor dergelijke rapporten in artikel 1, eerste lid, en artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet tarieven in strafzaken van toepassing verklaarde Besluit tarieven in strafzaken 2003 waarin een maximaal uurtarief is vastgesteld van € 81,
  10. 3.
  11. Met betrekking tot de vordering van de kosten van het uitgebrachte rapport van Noordzij ten bedrage van € 1.137,94 stelt de Raad vast dat het Uwv bij brief van 4 maart 2010 te kennen heeft gegeven dat deze post niet op enig bezwaar stuit. Dit verzoek ligt derhalve voor toewijzing gereed.
  12. Vergoeding van materiële schade. 4.
  13. Appellant heeft wettelijke rente gevorderd over de nabetaalde uitkering. Hij heeft verzocht om vergoeding van door hem geleden fiscale schade, bestaande uit nadeel heffingsrente, progressienadeel en gemiste zorgtoeslag. Appellant heeft verder aangevoerd dat met een proceskostenveroordeling niet alle kosten van de verleende rechtsbijstand zijn gedekt, zodat de resterende kosten als geleden schade voor rekening van het Uwv komen. 4.
  14. Bij brief van 28 januari 2010 heeft het Uwv meegedeeld dat aan appellant een bedrag van € 3.728,78 aan wettelijke rente is vergoed. Van de zijde van appellant is daarop geen reactie gekomen. Gelet hierop gaat de Raad ervan uit dat aan deze vordering van appellant is voldaan, zodat daarover door de Raad geen beslissing hoeft te worden genomen. 4.
  15. Met betrekking tot het gestelde nadeel ten gevolge van heffingsrente alsmede de gemiste zorgtoeslag 2009 deelt de Raad het standpunt van het Uwv dat appellant ter zake geen schade heeft geleden. Indien heffingsrente verschuldigd is vanwege te weinig ingehouden loonheffing, betekent dit dat appellant de aan de Belastingdienst verschuldigde gelden enige tijd onder zich heeft gehad en daardoor een rentevoordeel heeft genoten dat door de heffingsrente (weer) ongedaan wordt gemaakt. De Raad verwijst daarbij naar zijn uitspraak van 16 november 2005 (LJN AU6817). De omstandigheid dat appellant over 2009 niet in aanmerking komt voor zorgtoeslag houdt blijkens de stukken verband met de omstandigheid dat hij in dat jaar een inkomen heeft ontvangen, dat hoger ligt dan de grens tot welk bedrag aan inkomen nog recht op zorgtoeslag bestaat. De Raad kan deze posten derhalve niet aanmerken als door appellant geleden schade. 4.
  16. Bij brief van 4 maart 2010 heeft het Uwv meegedeeld zich te kunnen verenigen met het door appellant berekende bedrag van € 475,- aan geleden nadeel ten gevolge van progressie in het belastingtarief. Gelet hierop ligt dit verzoek voor toewijzing gereed. 4.
  17. Het verzoek van appellant tot vergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb van de kosten van rechtsbijstand van dit geding die resteren na aftrek van de proceskostenveroordeling van het Uwv wijst de Raad af. Aangezien artikel 8:75 van de Awb een exclusieve regeling inhoudt is voor een (aanvullende) vergoeding van deze kosten op grond van artikel 8:73 van de Awb geen plaats.
  18. Vergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 5.
  19. Appellant heeft gewezen op de lange duur van de procedure en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 5.
  20. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt. 5.
  21. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 5.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. 5.
  22. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 5 juli 2005 tot de datum van deze uitspraak zijn bijna vijf jaar verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift door het Uwv bijna twee maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 7 oktober 2005 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim 13 maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 12 december 2006 van het hoger beroepschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak bijna 4 jaar geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. 5.
  23. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.
  24. De Raad merkt op dat uit artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellant zich met een verzoek om vergoeding van het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht tot het Uwv kan wenden. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van (€ 644,- + € 4,40 + € 644,- + € 18,48 + € 528,- + € 1.137,94 =) € 2.976,82, waarvan € 1.288,- te betalen aan de griffier van de Raad; Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 475,-; Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 10/3537 Beslu ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie) aan als partij in die procedure. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van D.P.E.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni
  25. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) D.P.E.M. Bary.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.