← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0392

10/166 WWB-VV Centrale Raad van Beroep U I T S P R A A K van DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker), tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2009, 09/5232 en 09/5657 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: verzoeker en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 29 juni 2010 I. PROCESVERLOOP Namens verzoeker heeft mr. J.J.M. Kleiweg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Voorts heeft de gemachtigde van verzoeker bij brief van 5 januari 2010 de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzocht een voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij brief van 21 april 2010 heeft de gemachtigde van verzoeker het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken en gelijktijdig de voorzieningenrechter verzocht het College te veroordelen in de proceskosten. Het College heeft bericht dat het verzoek om een proceskostenveroordeling geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Met toestemming van partijen heeft de voorzieningenrechter bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om voorlopige voorziening is ingetrokken omdat het College sedert 10 november 2009 aan verzoeker bijstand verstrekt. Nu het College niet heeft betwist dat aldus aan verzoeker is tegemoetgekomen, is er aanleiding om het College te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 437,--. III. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Veroordeelt het College in de kosten van verzoeker tot een bedrag van € 437,--, te betalen door het College aan de griffier van de Raad. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2010. (get.) J.F. Bandringa. (get.) T. Hemelrijk-van den Oudenalder. AV

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.