08/7218 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 november 2008, 08/5541 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: college) Datum uitspraak: 15 juli 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.G. in de Braekt, verbonden aan de Stichting Achmea Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Laros, D.S.P. Alferink en A.M. van Muiswinkel, allen werkzaam bij de gemeente Haarlem. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.1. Over appellant, die casemanager Bijzondere Doelgroepen was bij het bureau Werk en Inkomen, is een beoordeling opgemaakt (hierna: bestreden beoordeling) over de periode van 27 maart 2007 tot 10 juli 2007. Die periode is gevolgd op een op 27 maart 2007 over het functioneren van appellant vastgestelde, in rechte onaantastbaar geworden beoordeling. De bestreden beoordeling is na een zogenoemde interne bezwaarprocedure grotendeels ongewijzigd vastgesteld en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 juli 2008 (hierna: bestreden besluit). 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft verwezen naar de volgens vaste rechtspraak van de Raad door de rechter in beoordelingszaken aan te leggen terughoudende toetsingsmaatstaf. Verder heeft zij de vraag of het college aannemelijk heeft gemaakt dat de negatieve waarderingen niet op onvoldoende gronden berusten, bevestigend beantwoord. 3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de negatieve waardering in de bestreden beoordeling niet dan wel onvoldoende aannemelijk is gemaakt aan de hand van concrete feiten. Er is onvoldoende onderbouwing gegeven dat appellant onvoldoende vorderingen heeft gemaakt tijdens het verbetertraject. Hij is bij dat traject onvoldoende begeleid en er hebben ten onrechte geen functioneringsgesprekken plaatsgevonden. Mede gelet op psychische klachten is de beoordelingsperiode te kort geweest, aldus appellant. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 4. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt. 4.1. Hij stelt voorop dat de rechtbank de juiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. Verder merkt hij op dat het blijkens het toepasselijke Beoordelingsreglement 2001 bij de bestreden beoordeling gaat om de zoveel mogelijk op grond van feitelijke gegevens, prestaties, ervaringen en waarnemingen tot stand gekomen mening van de direct leidinggevende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.