← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2560

09/6258 WWB-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 september 2009, 09/667 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College) Datum uitspraak: 22 juli 2010 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 9 februari 2010 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van 9 februari 2010 heeft appellant verzet gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2010, waar appellant aanwezig was en het College niet is verschenen. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 9 februari 2010 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Vaststaat dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend. De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend was 11 november

  1. Het hogerberoepschrift is op 18 november 2009 verzonden. In het verzetschrift en ter zitting heeft appellant verklaard dat hij door een ziekenhuisopname tijdens vakantie in Bulgarije verhinderd was tijdig een hogerberoepschrift in te dienen. Schriftelijke bewijsstukken van de ziekenhuisopname heeft appellant niet; het ziekenhuis wil deze gegevens niet verstrekken omdat appellant het ziekenhuis nog een bedrag van € 2.800,- verschuldigd is. Desgevraagd kon appellant ook anderszins niet, bijvoorbeeld aan de hand van een agenda, de datum opgeven op of rond welke de ziekenhuisopname heeft plaatsgevonden en evenmin hoe lang hij in het ziekenhuis heeft verbleven. In deze omstandigheden kan de Raad niet anders dan vaststellen dat er onvoldoende feitelijke gegevens beschikbaar zijn voor het oordeel dat appellant tijdens de - gehele - beroepstermijn verhinderd was een hogerberoepschrift in te dienen. Het verzet moet ongegrond worden verklaard. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval zal het door appellant betaalde griffierecht (€ 110,-) door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald. Voor een veroordeling in de kosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van R. Groothuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli
  2. (get.) T.G.M. Simons. (get.) R. Groothuis. JvS

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.