09/4404 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2009, 08/671 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 juli 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. T.P.M. Kouwenaar, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 17 mei 2010 heeft appellante informatie ingezonden van psychiater/psychotherapeut J.P.M. Gerards van 13 mei
- Hierop is namens het Uwv op 26 mei 2010 gereageerd door bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren – van Delden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kouwenaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. II. OVERWEGINGEN
- Appellante is op 16 mei 1994 uitgevallen in haar werkzaamheden als naaister in verband met lichamelijk klachten, gevolgd door psychische klachten. Per einde wachttijd, te weten op 1 mei 1995, is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 2.
- Een herbeoordeling van appellantes arbeidmogelijkheden in het kader van het aangepast Schattingsbesluit (Stb. 2004, 434) heeft geresulteerd in het besluit van 18 juli 2007, waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 19 september 2007 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 2.
- Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar haar oordeel is met de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voldoende rekening gehouden met de psychische en fysieke beperkingen van appellante. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien een onafhankelijk deskundige te benoemen.
- In hoger beroep heeft appellante herhaald dat met haar lichamelijke en psychische klachten – waarvoor zij in behandeling is – in onvoldoende mate rekening is gehouden. Appellante bestrijdt dat er sprake is van enige stabilisatie van haar klachten. De FML vormt dan ook een onjuiste vertaling van haar belastbaarheid. Ook is zij niet geschikt de haar voorgehouden functies uit te oefenen. Ter ondersteuning van haar stellingen heeft appellante de reeds in beroep ingezonden informatie overgelegd van psychiater J. Koster van 11 december 2007 en klinisch psycholoog/psychotherapeut N.C.M. van Maanen van 11 mei
- 5.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
- Met verwijzing naar de daarop betrekking hebbende overweging in de aangevallen uitspraak is de Raad met de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit een voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag ligt. 5.3.
- Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van het verzekeringsgeneeskundig oordeel. De Raad stelt allereerst vast dat verzekeringsarts W. Andriessen diverse beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren op de FML, die door bezwaarverzekeringsartsA.D.C. Huijsmans zijn onderschreven. Hoewel appellante in het verleden een WAO-uitkering ontving naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% in verband met de ernst van haar psychische klachten, zijn er thans onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat haar mogelijkheden op de datum in geding zijn overschat. Hierbij neemt de Raad tevens in aanmerking dat appellante ter zitting heeft aangegeven dat de acute (psychiatrische) opname ten gevolge van een suïcidepoging – in tegenstelling tot hetgeen psychiater/psychotherapeut Gerards in zijn brief van 13 mei 2010 heeft beschreven – ruim voor datum in geding heeft plaatsgevonden. Het gaat hier om de medische toestand van appellante per 19 september
- 5.3.
- Ten aanzien van de in (hoger) beroep overgelegde informatie van psychiater Koster, klinisch psycholoog Van Maanen en psychiater/psychotherapeut Gerards heeft de bezwaarverzekeringsarts Van Kasteren–van Delden in haar rapportages van 18 maart 2008, 9 juni 2009 en 26 mei 2010 geconcludeerd dat hierin geen gegevens zijn vermeld die een ander oordeel omtrent de belastbaarheid van appellante rechtvaardigen. De Raad ziet geen reden deze conclusie voor onjuist te houden. In dit verband verwijst de Raad in het bijzonder naar de brief van de (destijds) appellant behandelend psychiater Koster van 11 december 2007 waaruit blijkt dat er geen sprake is van een (ernstige) depressieve stoornis. Deze informatie beschrijft de medische situatie van appellante dicht bij de datum in geding en geeft de Raad geen aanleiding de validiteit hiervan in twijfel te trekken. 5.
- De Raad kan appellante ten slotte niet volgen in haar stelling dat de geduide functies niet passend zijn. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat arbeidsdeskundige J.R. Henninger en bezwaararbeidsdeskundige M. Prosée in hun rapportages van 17 juli 2007 respectievelijk 15 april 2008 genoegzaam hebben gemotiveerd dat appellante, uitgaande van de juistheid van de FML van 25 mei 2007, in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, te weten inpakker (Sbc-code 111190), productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) en medewerker tuinbouw (Sbc-code 11010) te vervullen.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli
- (get.) D.J. van der Vos. (get.) T.J. van der Torn. EV