08/7016 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2008, 08/1339 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 1 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus
- Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Haze. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede. II. OVERWEGINGEN 1.
- Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende. 1.
- Appellant, geboren [in] 1962, heeft op 4 april 2007 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd in verband met in 1983 ontstane arbeidsongeschiktheid. In de loop van de procedure heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de arbeidsongeschiktheid eerder, rond zijn 17e jaar, is aangevangen.
- Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering op de grond dat appellant op de dag dat hij 17 jaar werd niet arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 14 februari 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij op of rond zijn 17e verjaardag wel degelijk arbeidsongeschikt was. Appellant heeft tevens verzocht om een onderzoek door een deskundige psychiater. 5.
- De Raad overweegt als volgt. 5.
- De Raad heeft in de stukken noch in hetgeen ter zitting door gemachtigde van appellant naar voren is gebracht, aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van het in bezwaar door het Uwv ingenomen standpunt dat de arbeidsongeschiktheid van appellant vermoedelijk kort na 1994 is ingetreden, derhalve na zijn 17e verjaardag. De Raad onderschrijft de ter zake door de rechtbank gegeven overwegingen en maakt deze tot de zijne. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die tot een andersluidend oordeel zou moeten leiden. De Raad voegt daar aan toe dat niet beslissend is dat er bij appellant rond zijn 17e jaar hoofdpijnklachten bestonden temeer niet nu hij met die klachten in staat is geweest zonder doubleren zijn MAVO-diploma te behalen in
- Daarnaast wijst de Raad er op dat naar vaste rechtspraak het nadeel dat de medische toestand van appellant in een situatie als de onderhavige, waarin eerst na vele jaren een aanvraag om een Wajong-uitkering wordt ingedien, mogelijk niet meer met zekerheid is vast te stellen voor zijn rekening en risico komt. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het instellen van een onderzoek door een deskundige psychiater.
- Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) T.J. van der Torn. EV