← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5816

09/3359 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 april 2009, 08/1229 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 1 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Osinga, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus

  1. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.R.H. Barendregt. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant was met ingang van 17 januari 2007 werkzaam als schoonmaker gedurende 15 uren per week via een uitzendbureau, toen hij op 30 mei 2007 voor dit werk met rugklachten en na een operatie aan zijn ogen is uitgevallen. Naast zijn werkzaamheden als schoonmaker was appellant werkzaam als voorman bij een bakkerij gedurende 40 uren per week, waarvoor hij zich niet arbeidsongeschikt heeft gemeld. Naar aanleiding van voornoemde ziekmelding is appellant op het spreekuur van 18 juli 2007 en 19 september 2007 door de verzekeringsarts J. Klok onderzocht. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 3 oktober 2007 geschikt is te achten voor zijn laatstelijk verrichte arbeid. Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het Uwv besloten dat appellant met ingang van 3 oktober 2007 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). 1.
  3. Bij besluit van 13 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 januari 2008 ongegrond verklaard.
  4. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. 3.
  5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de in opdracht van appellant verrichte expertise door verzekeringsarts H.M.Th. Offermans. Omdat Offermans een andere visie heeft op de beperkingen van appellant dan de bezwaarverzekeringsarts, had de rechtbank een deskundige moeten inschakelen, aldus appellant. Volgens appellant is onvoldoende rekening gehouden met de toename van de rugklachten. Ten slotte is appellant van oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit had moeten vernietigen wegens het ontbreken van een omschrijving van de laatstelijk verrichte arbeid. 3.
  6. Het Uwv heeft in het verweerschrift aangevoerd dat appellant zich op 4 januari 2007 bij de huisarts heeft gemeld met toegenomen rugklachten en desondanks tot de datum van uitval met deze klachten heeft kunnen werken. 4.
  7. De Raad overweegt als volgt. 4.
  8. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit is in het geval van appellant de functie schoonmaker gedurende 15 uren per week. 4.
  9. De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank met betrekking tot het ontbreken van een werkomschrijving. Op basis van de beschikbare gegevens komt het de Raad voor dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende beeld had van de omvang en zwaarte van het werk. Daarbij merkt de Raad op dat appellant tijdens de zitting bij de rechtbank op 6 maart 2009 een toelichting heeft gegeven op zijn werkzaamheden. 4.
  10. De Raad ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel. Daarbij tekent de Raad aan dat deze bezwaarverzekeringsarts appellant op het spreekuur van 8 februari 2008 heeft onderzocht en bij de beoordeling ook de beschikking had over informatie van de huisarts M.J.G. van Soest en de door hem opgevraagde informatie van de neuroloog E.L.J. Hoogervorst. Op grond van deze informatie en het eigen onderzoek is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant op de datum in geding in min of meer dezelfde medische toestand verkeerde als bij de aanvang van zijn werkzaamheden. Dit betekent volgens de bezwaarverzekeringsarts dat appellant in staat wordt geacht zijn werkzaamheden als schoonmaker te hervatten, hetgeen volgens de bezwaarverzekeringsarts in algemene zin niet zeer rugbelastend is. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts de werkzaamheden bij de bakkerij in zijn oordeel betrokken. Ten aanzien van de in beroep overgelegde informatie van de verzekeringsarts Offermans heeft de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel in de rapportage van 27 februari 2009, naar het oordeel van de Raad genoegzaam, gemotiveerd waarom deze informatie geen ander licht werpt op de beperkingen van appellant. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts onder meer overwogen dat er tussen de bevindingen van Offermans en hemzelf geen verschil bestaat en dat appellant ondanks de reeds jaren bestaande rugafwijkingen en de voorgeschiedenis van regelmatig optredende rugklachten, in staat is geweest om de schoonmaakwerkzaamheden gedurende enkele maanden uit te voeren. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor onderzoek door een medisch deskundige.
  11. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 3 oktober 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  12. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september
  13. (get.) Ch. van Voorst. (get.) T.J. van der Torn. EV

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.