09/5446 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 september 2009, 08/6038 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 3 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. F.M. Heltzel, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Mr. B.B. Zebregs, kantoorgenoot van mr. Heltzel, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli
- Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruin. II. OVERWEGINGEN 1.
- Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante, werkzaam als paprikaplukster, is op 23 juli 2001 uitgevallen vanwege buikklachten. Het Uwv heeft einde wachttijd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. 1.
- Bij schrijven van 28 mei 2008 heeft appellante het Uwv verzocht de hoogte van haar uitkering te herzien. Zij heeft daarbij aangegeven dat sedert de laatste beoordeling in 2006 haar medische klachten in het gehele bewegingsapparaat en met name de nek-, linkerknie- en buikklachten zijn toegenomen. 1.
- Na medisch onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 9 september 2009 besloten de WAO-uitkering niet te verhogen. De verzekeringsarts heeft na zijn onderzoek de conclusie getrokken dat appellante onveranderd beperkingen heeft conform de op 19 januari 2006 opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). 1.
- Bij bestreden besluit van 5 december 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante hiertegen ongegrond verklaard. 2.
- Appellante heeft tegen dit besluit beroep aangetekend. 2.
- De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen met de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv van oordeel te zijn dat appellante niet onderbouwd heeft waaruit haar toegenomen klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen bestaan. Uit de ontvangen informatie van de behandelende sector komt niet naar voren dat er sprake is van toegenomen beperkingen vanwege de al bij appellante bekende afwijkingen, waarmee in de FML uit 2006 al rekening gehouden is. 2.
- In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat er wel sprake is van toegenomen klachten. Vanaf mei 2008 heeft ze zich veelvuldig moeten wenden tot de huisarts. Zij heeft veel meer pijn en ondervindt meer beperkingen. Er is sprake van slijtagereuma. Haar is uitgelegd dat de verergering van haar klachten te maken heeft met haar leeftijd. Er is dus wel degelijk sprake van een verband tussen de reeds bestaande beperkingen en de toename daarvan. 3.
- De Raad overweegt als volgt. 3.
- De Raad acht de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende onderbouwd en ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd dan ook geen reden om het oordeel van de rechtbank niet te onderschrijven. Appellante heeft niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 39a van de WAO. 3.
- Het hoger beroep slaagt niet. 3.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september
- (get.) T.L. de Vries. (get.) A.L. de Gier. IvR