09/2789 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 april 2009, 08/7029 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 8 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.R. Bissessur, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli
- Voor appellant is verschenen mr. Bissessur. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant was via een uitzendbureau werkzaam als tuinbouwmedewerker in de tomatenteelt toen hij zich per 9 augustus 2007 heeft ziek gemeld wegens pijn in de rechtervoet, hoofdpijn en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant een aantal malen het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts S.V. Kandhai. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 25 juli 2008 geschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk als tuinbouwmedewerker. Bij besluit van 23 juli 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 25 juli 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld. 1.
- Bij besluit van 19 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 juli 2008 ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
- Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen heeft appellant in hoger beroep een besluit van de burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag van 20 mei 2009 overgelegd waaruit blijkt dat de uitkering voor levensonderhoud op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 28 april 2009 is gewijzigd in verband met de omstandigheid dat appellant is aangewezen op kniesparende arbeid. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. 4.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de verzekeringsarts Kandhai appellant lichamelijk en psychisch heeft onderzocht en bij zijn beoordeling ook de informatie van de huisarts 28 februari 2008 en de behandelend psychiater van 3 april 2008 heeft betrokken. Uit deze informatie blijkt volgens de verzekeringsarts dat geen sprake is van ernstige psychopathologie en dat de huisarts geen duidelijke diagnose heeft kunnen vaststellen voor de wisselende lichamelijke klachten. De verzekeringsarts heeft ook bij het eigen onderzoek geen lichamelijke beperkingen kunnen vaststellen en tevens geen aanwijzingen gevonden voor psychopathologie. 4.
- Verder blijkt dat verzekeringsarts Kandhai, zoals is weergegeven op de medische kaart, een voldoende duidelijk beeld had van de aard en de zwaarte van de functie van tuinbouwmedewerker in de tomatenteelt. In het begin werden er tomaten geplukt en blaadjes geknipt, later werden de planten gedraaid. Dit gebeurde staand in een kar in hoog tempo tot een hoogte van maximaal drie meter. Het betrof veel staan, veel met de handen werken en werken op hoogten. Met inachtneming van deze belasting heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant geschikt is te achten voor de functie van tuinbouwmedewerker in de tomatenteelt. 4.
- De bezwaarverzekeringsarts F.L.W. van Duijn heeft vervolgens het dossier bestudeerd, appellant op het spreekuur van 14 augustus 2008 onderzocht en bij de beoordeling alle in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector meegewogen. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts telefonisch overleg gehad met de sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Op grond van zijn bevindingen heeft ook de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat ongewijzigd sprake is van lichamelijke klachten zonder een somatisch substraat. De psychische klachten houden verband met een gokverslaving, maar vormen geen belemmeringen bij de uitvoering van de werkzaamheden in de functie van tuinbouwmedewerker, aldus de bezwaarverzekeringsarts. 4.
- Ten aanzien van de in beroep overgelegde informatie is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam heeft gemotiveerd dat hierin geen aanleiding is gelegen tot een andersluidend oordeel. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat Van Duijn in de rapportage van 28 november 2008 heeft aangegeven dat de verslavingsproblematiek al bekend was en dat de toekenning van maatschappelijke opvang voor 6,9 uur per week geen belemmering vormt voor de uitoefening van arbeid. Ook het in hoger beroep overgelegde besluit van 20 mei 2009 in het kader van de WWB geeft naar het oordeel van de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts, waarbij de Raad met name van belang acht dat deze informatie ziet op een periode ruim na de datum hier in geding, te weten 25 juli
- 4.
- Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 25 juli 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) D.E.P.M. Bary. KR