← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6308

09/5018 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 juli 2009, 07/6896 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 8 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Deen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante was parttime werkzaam als oproepkracht in de verzorging via een uitzendbureau toen zij op 12 juli 2006 uitviel wegens oogklachten. Nadien hebben zich ook psychische klachten ontwikkeld. Appellante is een aantal keren gezien op het spreekuur van een Ziektewet-arts. Op het laatste spreekuur van 6 juli 2007 heeft de ZW-arts G. Blijham appellante per 11 juli 2007 geschikt geacht voor de eerder in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geduide functies. Op basis van deze medische beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 6 juli 2007 aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 11 juli 2007 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). 1.
  3. Bij besluit van 4 september 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juli 2007, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza van 3 september 2007, ongegrond verklaard.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe beslissende betekenis toegekend aan het op haar verzoek door psychiater M. Kazemier als deskundige op 4 juli 2008 uitgebrachte rapport. Bij brief van 24 november 2008 heeft de deskundige gereageerd op het commentaar van respectievelijk appellante en het Uwv.
  5. In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt dat de te volgen therapie strijdig is met het vervullen van de geduide WIA-functies. Op dit aspect acht appellante een nader deskundigenonderzoek noodzakelijk. 4.
  6. De Raad overweegt het volgende. 4.
  7. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de Wet WIA. 4.
  8. De Raad stelt vast dat appellante na de beoordeling in het kader van de Wet WIA heeft hervat in haar vroegere werk in de thuiszorg, maar dat zij voor dit werk blijkens de rapportage van de arbeidsdeskundige E.J. Gill van 1 november 2006 – ondanks deze hervatting – blijvend ongeschikt is geacht. De in het kader van de Wet WIA-beoordeling voor appellante in 2006 geschikt geachte functies zijn dus op de datum in geding de maatstaf arbeid in de zin van de ZW gebleven. 4.
  9. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op die regel. 4.
  10. De Raad ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van dit beginsel. De Raad kent evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de psychiater Kazemier. De deskundige is na eigen onderzoek en kennisname van de in het dossier aanwezige medische gegevens, waaronder informatie van de psychotherapeut R. van Meerten van 17 juli 2007, tot de conclusie gekomen dat op de datum in geding sprake was van een depressie in gedeeltelijke remissie, waarschijnlijk in het kader van een bipolaire II stoornis. Volgens de deskundige kan appellante in staat worden geacht tot het verrichten van werkzaamheden behorende bij één van de destijds voorgehouden functies, mits dit kan samengaan met de therapie die vanuit psychiatrisch gezichtshoek zou moeten prevaleren. 4.
  11. In zijn commentaar van 24 november 2008 bevestigt Kazemier dat hij ter verbetering van de prognose van duurzame taakvervulling als advies heeft willen aangeven de therapie van appellante te laten prevaleren. Kazemier benadrukt nog eens dat voor het uitoefenen van de geduide functies op 11 juli 2007 geen psychiatrische contra-indicatie bestond. De Raad verwijst in dit verband nog naar het door het Uwv in hoger beroep gegeven commentaar, zoals vermeld in het verweerschrift van 1 oktober
  12. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante 3 maal per maand een gesprek heeft met een psychotherapeut en begeleiding krijgt van maatschappelijk werk. De Raad is met het Uwv van oordeel dat niet valt in te zien dat de therapie niet zou kunnen samengaan met een parttime baan. Nu appellante geen nadere medische informatie naar voren heeft gebracht die een ander licht werpt op haar medische situatie op de datum in geding, ziet de Raad geen aanleiding gevolg te geven aan het verzoek van appellante om een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen.
  13. Uit hetgeen is overwogen onder 4.
  14. tot en met 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  15. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september
  16. (get.) Ch. van Voorst. (get.) D.E.P.M. Bary. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.