10/1350 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 februari 2010, 08/2344 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en het Uwv. Datum uitspraak: 8 september
- I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. A.M.C. van Dalen, werkzaam bij FNV Bouw te Woerden, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dalen. II. OVERWEGINGEN 1.
- Betrokkene is van 15 april 2002 tot en met 31 december 2003 in dienst geweest van [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: werkgever). Bij vonnis van de kantonrechter van 23 juni 2004 is de werkgever onder meer veroordeeld tot nakoming van de op haar ingevolge de geldende CAO rustende verplichtingen tot betaling aan het Sociaal Fonds Bouwnijverheid (SFB) van de vakantierechten van betrokkene over de periode van 22 april 2003 tot en met 19 december 2003 en tot betaling aan betrokkene van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten. Nadat betrokkene van zijn deurwaarder had vernomen dat invordering niet mogelijk was heeft hij het Uwv op 10 mei 2005 op de hoogte gesteld van betalingsonmacht van de werkgever. Vervolgens heeft hij, kennelijk op advies van het Uwv, op 16 november 2005 een verzoek tot faillietverklaring van de werkgever ingediend bij de rechtbank. Dit verzoek is bij beschikking van de rechtbank van 7 december 2005 afgewezen op de grond dat de vordering was voldaan. Betrokkene heeft het Uwv bij brief van 30 maart 2006 verzocht de betalingsverplichting van de werkgever ter zake van de vakantierechten, die op dat moment volgens hem nog steeds bestond, over te nemen. Op 1 juni 2006 is het daartoe strekkende aanvraagformulier door het Uwv ontvangen. 1.
- Bij besluit van 16 augustus 2006, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 13 maart 2007, heeft het Uwv de aanvraag van betrokkene afgewezen omdat de vordering volledig zou zijn voldaan door de werkgever. 1.
- Nadat de rechtbank bij uitspraak van 25 februari 2008 het besluit van het Uwv van 13 maart 2007 had vernietigd omdat dit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid heeft het Uwv op 18 juni 2008 opnieuw beslist op het bezwaar van betrokkene (hierna: bestreden besluit). Het Uwv heeft bij het bestreden besluit de vordering van betrokkene erkend, het standpunt ingenomen dat eerst per 1 januari 2004 sprake was van een toestand van blijvende betalingsonmacht en vervolgens gesteld dat de vordering van betrokkene niet kan worden overgenomen omdat de aanvraag daartoe meer dan 26 weken na het intreden van de betalingsonmacht is ingediend en er geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 62, derde lid, van de WW.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat het Uwv naar haar oordeel niet had voldaan aan de onderzoeksopdracht die in de uitspraak van 25 februari 2008 was gegeven en omdat het Uwv ten onrechte het standpunt innam dat betrokkene zijn aanvraag niet tijdig had ingediend. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
- Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, waarbij hij met name de in 2 weergegeven oordelen van de rechtbank heeft bestreden. Volgens het Uwv was het in de uitspraak van 25 februari 2008 opgedragen onderzoek naar de betaling van de vordering door de werkgever niet nodig, omdat die vordering door het Uwv alsnog is erkend en zou een onderzoek naar het moment waarop de betalingsonmacht van de werkgever is ontstaan geen toegevoegde waarde hebben, omdat de aanvraag van betrokkene in ieder geval te laat was ingediend en er geen sprake was van een bijzonder geval. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad dit laatste standpunt niet gehandhaafd. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. In zoverre kan het hoger beroep van het Uwv dan ook niet slagen.
- De Raad zal tevens bezien of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven. Daartoe overweegt de Raad als volgt. 5.
- In artikel 61, eerste lid, van de WW is bepaald, voor zover en ten tijde hier van belang, dat een werknemer recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW heeft, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat de werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald. In artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW is bepaald dat geen recht op uitkering heeft de werknemer wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, tenzij de werknemer een recht heeft op betaling van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of andere bedragen als bedoeld in artikel 61, eerste lid, dat geen verband houdt met een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, en dat niet geldend gemaakt kan worden uitsluitend vanwege die toestand. 5.
- Ter zitting van de Raad heeft het Uwv het nadere standpunt ingenomen dat de betalingsonmacht van de werkgever is ontstaan in de periode tussen 4 februari 2005, de dag waarop hij voor het laatst een betaling heeft gedaan ter voldoening aan het vonnis van de kantonrechter van 23 juni 2004, en de melding van betrokkene van 10 mei
- Naar de mening van het Uwv staat dan echter artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW in de weg aan overneming van de vordering ter zake van de vakantierechten. Daarnaast is het Uwv van mening dat betrokkene een benadelingshandeling heeft gepleegd. 5.
- Betrokkene heeft zich niet verzet tegen het in 5.2 genoemde tijdstip van intreden van de toestand van betalingsonmacht van de werkgever. Hij heeft naar voren gebracht dat weliswaar enige tijd is verstreken tussen het ontstaan van de vordering en het intreden van betalingsonmacht van de werkgever, maar hij meent dat uit de onder 1 weergegeven gang van zaken duidelijk blijkt dat het niet geldend kunnen maken van de vordering uitsluitend het gevolg is van die betalingsonmacht. 5.
- Uit de stukken blijkt dat het SFB betrokkene voor het eerst op 28 juli 2003 schriftelijk ervan op de hoogte heeft gesteld dat de werkgever geen of onvolledige vakantierechten had afgedragen. In september, november en december 2003 zijn eveneens zogenoemde achterstandmeldingen verzonden aan betrokkene. Tussen de ontvangst door betrokkene van de eerste achterstandmelding en het moment waarop de werkgever kwam te verkeren in een toestand van blijvende betalingsonmacht, welke naar het oordeel van de Raad op het in 5.2 genoemde tijdstip moet worden gesteld, is derhalve ruim anderhalf jaar verstreken. In die periode heeft de werkgever nog meerdere betalingen gedaan. Het is dan ook niet aannemelijk dat de thans aan de orde zijnde vordering uitsluitend vanwege de in 2005 ingetreden betalingsonmacht van de werkgever niet geldend gemaakt kon worden. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd die vordering over te nemen. Aan de vraag of sprake is geweest van een benadelingshandeling komt de Raad niet meer toe. 5.
- Op grond van deze overwegingen komt de Raad tot het oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven. Gelet hierop is het niet nodig dat het Uwv een nieuw besluit neemt, zoals door de rechtbank opgedragen. In zoverre zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd.
- De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 juni 2008 geheel in stand blijven; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,-. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en T. Hoogenboom en B.M. van Dun als leden in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september
- (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) T.J. van der Torn. NK