09/1288 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2009, 08/2192, (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Korpsbeheerder van de politieregio [naam regio], (hierna: korpsbeheerder) Datum uitspraak: 2 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli
- Voor appellant is verschenen zijn gemachtigde C.J. van der Graft. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. de Leeuw, werkzaam bij de politieregio [naam regio]. II. OVERWEGINGEN
- Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende. 1.
- Appellant is sinds 1 april 1984 in dienst van de politie, laatstelijk in de functie van vakspecialist 6 Logistiek bij de dienst Materiële Ondersteuning en werkzaam als wapenmeester op de wapenkamer. Op 22 juli 2006 is appellant aangehouden op verdenking van diefstal van een bitje bij de Gamma Bouwmarkt te [vestigingsplaats]. Appellant is op 21 maart 2007 door de politierechter ter zake van deze diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 130,-. Het daartegen ingestelde hoger beroep heeft geleid tot een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Naar aanleiding van een melding op 1 augustus 2006 van de teamleider van de wapen-kamer dat appellant de privégegevens van een collega in het politiesysteem X-Pol had bevraagd, is een onderzoek ingesteld naar het gebruik door appellant van X-Pol. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat appellant meermalen X-Pol heeft bevraagd zonder dat dit een relatie had met zijn werk. 1.
- Na aan appellant op 28 juni 2007 het voornemen daartoe te hebben medegedeeld en nadat door appellant zijn zienswijze daarop was gegeven, heeft de korpsbeheerder bij besluit van 10 september 2007 aan appellant op grond van artikel 77, eerste lid, onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de straf van ontslag opgelegd. Bij het bestreden besluit van 23 april 2008 heeft de korpsbeheerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 3.
- De Raad is van oordeel dat de door appellant op 22 juli 2006 gepleegde diefstal vaststaat. De verklaring van appellant dat hij het bitje, in plaats van het terug te doen in de verpakking, bij vergissing in zijn zak heeft gestoken zonder zich daarvan bewust te zijn, is niet geloofwaardig. Appellant heeft het bitje uit de verpakking van een complete set bitjes gehaald en het aangebroken pakket met de overige bitjes elders teruggelegd, nadat hij had geconstateerd dat dit bitje paste op de schroef, die hij voor dit doel van huis had meegnomen. Het is ook weinig aannemelijk dat appellant, direct nadat hij had vastgesteld dat het bitje paste, alsnog heeft afgezien van zijn voornemen om een passend bitje te kopen en om die reden het aangebroken pakket bitjes, abusievelijk zonder het uitgeprobeerde bitje, weer heeft teruggelegd. 3.
- De Raad onderschrijft het oordeel van de korpsbeheerder dat het plegen van het misdrijf van diefstal voor een politieambtenaar kan worden aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim. Daaraan doet niet af dat de diefstal een voorwerp van geringe waarde betrof. De Raad deelt niet de opvatting dat dergelijk gedrag uitsluitend de privésfeer van appellant raakt, omdat het buiten diensttijd gebeurde en geen relatie had met het werk. Het gaat bij die diefstal om grensoverschrijdend gedrag dat zijn weerslag heeft op het functioneren van appellant als politieambtenaar en dat in hoge mate schadelijk is voor het aanzien van de politieorganisatie. Het feit dat appellant bij de politie niet belast is met een executieve, maar met een administratieve functie, maakt dit niet wezenlijk anders. 3.
- Voor de Raad staat eveneens vast dat appellant misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het politieregistersysteem X-Pol te raadplegen. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant ook erkend dat hij daarin bevragingen voor privédoeleinden heeft gedaan, zij het alleen niet zoveel als hem verweten wordt. Ook indien slechts het aantal toegegeven niet-werkgerelateerde bevragingen in aanmerking wordt genomen, acht de Raad sprake van ernstig plichtsverzuim. De omstandigheid dat volgens appellant - een deel van - deze privébevragingen betrekking zou hebben gehad op familieleden, en dat dezen daar geen bezwaar tegen zouden hebben gehad, maakt deze overtreding van de op het gebruik van X-Pol geldende voorschriften niet minder ernstig. 4.
- De Raad acht het bij het bestreden besluit gehandhaafde strafontslag, gezien de aard en ernst van de in 3.1 en 3.3 vastgestelde gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant binnen de politiedienst en de terecht gestelde eisen met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van die dienst, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. De opgelegde sanctie is niet, zoals appellant meent, in strijd met de Handleiding sanctionering integriteitsschendingen. Weliswaar is daarin opgenomen dat het, ook meer dan eens, raadplegen van X-Pol voor privédoeleinden nog geen strafontslag rechtvaardigt, maar appellant ziet eraan voorbij dat het hem verweten plichtsverzuim mede bestaat uit het begaan van een strafbaar feit, hetgeen onder punt 2.2.a. van de Handleiding wordt gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim, waarvoor in beginsel de zwaarste straf - ontslag - gerechtvaardigd is. 4.
- Ten slotte heeft appellant erop gewezen dat de korpsbeheerder bij het opleggen van het strafontslag aan appellant gehandeld heeft in strijd met het gelijkheidsbeginsel en met het verbod van willekeur. Door appellant is eerst ter zitting van de Raad gewezen op een tweetal gevallen, waarin geen strafontslag is gevolgd. Nog daargelaten dat appellant dit in een laat stadium van de procedure naar voren heeft gebracht, zijn van de door appellant genoemde gevallen verder geen bijzonderheden bekend, zodat namens de korpsbeheerder met juistheid is gesteld dat een vergelijking met het geval van appellant niet mogelijk is.
- Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
- De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september
- (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) M. Lammerse. HD