08/2061 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 februari 2008, 06/1514 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en appellant Datum uitspraak: 8 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. W.F.C. van Megen, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.G.E. Houtbeckers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene en zijn raadsman zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Betrokkene ontving sinds 9 september 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Betrokkene is per 16 september 2002 in dienst getreden van [werkgever] voor 24 uur per week. De WAO-uitkering werd in verband hiermee tot 23 februari 2006 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%. De WAO-uitkering van betrokkene is per 23 februari 2006 beëindigd, omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. 1.
- Bij besluit van 16 maart 2006 is, voor zover hier van belang, aan betrokkene een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend met ingang van 23 februari 2006, berekend naar een dagloon van € 101,
- Dit dagloon is gelijk aan het WAO-vervolgdagloon. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft, voor zover hier van belang, de hoogte van het dagloon bestreden. Bij besluit van 19 juni 2006, zoals in dit opzicht gehandhaafd bij het gewijzigde besluit op bezwaar van 4 oktober 2006, is het bezwaar ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 juni 2006 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2006 is, voor zover dit betreft het dagloon, eveneens gegrond verklaard onder vernietiging van dit besluit in zoverre. Voorts is aan appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het door appellant toegepaste artikel 13, zesde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: Besluit) wegens strijd met artikel 45, eerst lid, van de Werkloosheidswet (WW) als onverbindend buiten toepassing dient te blijven. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, komt de Raad tot de volgende beoordeling. 3.
- In artikel 45, eerste lid, van de WW wordt - voor zover hier van belang - als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar voorafgaande aan het arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van één dag. Bij het besluit zijn op basis van artikel 45, tweede lid, van de WW nadere regels gesteld ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid. 3.
- Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Besluit is het WW-dagloon van de werknemer die op de dag voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO heeft ontvangen naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, indien die uitkering met ingang van de eerste werkloosheidsdag wordt ingetrokken dan wel niet meer wordt uitbetaald op grond van artikel 43, eerste lid, of artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de WAO, gelijk aan het laatstelijk geldende WAO-dagloon. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het WW-dagloon van de werknemer die op de eerste werkloosheidsdag, of op de eerste dag van herleving van het recht op werkloosheidsuitkering, een uitkering op grond van de WAO naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt, wordt vastgesteld door evenredige verlaging van het laatstelijk geldende WAO-dagloon. Dit WAO-dagloon wordt in aanmerking genomen naar de mate waarin de uitkering waarvoor het dagloon wordt vastgesteld in de plaats is gekomen voor de uitkering op grond van de WAO. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat, indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering laatstelijk was gebaseerd op een WAO-vervolgdagloon, bij de toepassing van het eerste, tweede, vierde en vijfde lid voor ‘WAO-dagloon’ wordt gelezen: WAO-vervolgdagloon. 3.
- Appellant heeft naar voren gebracht dat hij een juiste toepassing heeft gegeven aan het hiervoor weergegeven wettelijk kader, door bij de bepaling van het WW-dagloon van betrokkene tot uitgangspunt te nemen het voor betrokkene geldende WAO-vervolgdagloon. Daarbij heeft appellant zich beroepen op uitspraken van de Raad. 3.
- De Raad heeft al eerder uitgesproken dat dit standpunt van appellant juist is. Kortheidshalve verwijst de Raad naar (onder meer ) zijn uitspraak van 14 mei 2009, LJN BI
- Uit deze uitspraak van de Raad volgt dat er in gevallen zoals hier aan de orde geen grond is voor het oordeel dat artikel 13, zesde lid, van het Besluit buiten toepassing moet worden gelaten. 3.
- Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het besluit van 4 oktober 2006 ongegrond verklaren.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september
- (get.) R.C. Schoemaker. (get.) M.C.T.M. Sonderegger. IJ