← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN7056

09/2472 SUWI Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2009, 08/3187 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen: appellant en [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), Datum uitspraak: 8 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni

  1. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.L. Schuren. Betrokkene is niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. 1.
  3. Na het einde van zijn dienstverband op 16 juli 2007 ontving betrokkene een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). 1.
  4. Op 5 februari 2008 heeft de arbeidsdeskundige een plan van aanpak opgesteld. In dit plan van aanpak is onder andere vermeld dat re-integratiebedrijf Alexander Calder (hierna: het re-integratiebedrijf) zal worden ingeschakeld. Verder is in dit plan van aanpak opgenomen dat betrokkene beschikbaar moet zijn voor de re-integratieactiviteiten van het re-integratiebedrijf en dat het re-integratietraject loopbaanonderzoek, sollicitatietraining en jobhunting dient te omvatten. 1.
  5. Het re-integratiebedrijf heeft een re-integratieplan opgesteld, gedateerd 18 februari
  6. Bij brief van 16 mei 2008 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat appellant akkoord gaat met het voor betrokkene opgestelde plan en dat betrokkene met het re-intgratietraject kan beginnen. 1.
  7. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 16 mei
  8. Bij beslissing op bezwaar van 5 september 2008 heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard. 2.
  9. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover thans van belang, kwam de rechtbank tot het oordeel dat de brief van 16 mei 2008 niet valt aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van de rechtbank had appellant het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren. 2.
  10. De rechtbank overwoog daartoe dat niet ieder re-integratieplan kan worden aangemerkt als een besluit. Weliswaar vormt het re-integratieplan een nadere uitwerking van hetgeen in het plan van aanpak is vermeld, maar naar het oordeel van de rechtbank bevat het re-integratieplan geen (nieuwe) zelfstandige rechten of verplichtingen zodat het niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden beschouwd. 2.
  11. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar van 5 september 2008 en voorzag zelf in de zaak door het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren.
  12. In hoger beroep is de vraag aan de orde of de brief van 16 mei 2008, waarbij het re-integratieplan van 18 februari 2008 door appellant is goedgekeurd, een besluit is in de zin van de Awb. 4.
  13. In zijn beoordeling stelt de Raad voorop dat een re-integratieplan als het onderhavige dat door het Uwv is overgenomen, een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is, in zoverre het re-integratieplan is gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. Daarvan kan sprake zijn als in het re-integratieplan rechten en verplichtingen worden vermeld van degene die recht heeft op ziekengeld ingevolge de ZW die niet in het plan van aanpak zijn vermeld én daarin de uit de wet voortvloeiende verplichtingen zodanig worden uitgewerkt dat kan worden gesteld dat met het re-integratieplan is beoogd een zelfstandig rechtsgevolg te doen ontstaan. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 10 december 2008, LJN BG8911 en van 4 augustus 2010, LJN BN
  14. 4.
  15. Naar het oordeel van de Raad bevat het in geding zijnde re-integratieplan weliswaar een concretisering van de rechten en verplichtingen die zijn vermeld in het plan van aanpak, maar kan niet gezegd worden dat het beoogt een zelfstandig rechtsgevolg te doen ontstaan doordat het nieuwe rechten en verplichtingen bevat ten opzichte van het plan van aanpak. De in het re-integratieplan vermelde re-integratieactiviteiten zijn voor het merendeel onderdeel van de reeds in het plan van aanpak vermelde loopbaanonderzoek, sollicitatietraining en jobhunting. Bij de overige re-integratieactiviteiten die in het re-integratieplan zijn genoemd is vermeld dat deze eventueel zouden kunnen worden ingezet, zodat deze naar het oordeel van de Raad nog onvoldoende concreet zijn uitgewerkt om te kunnen spreken van een beoogd rechtsgevolg, inhoudend het verlenen van een recht of het opleggen van een verplichting om de desbetreffende activiteiten te ondernemen.
  16. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  17. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september
  18. (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.A. van Amerongen. TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.