09/3942 WAO + 10/5003 WAO (gerectificeerde uitspraak) Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 mei 2009, 08/6141 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Het Uwv heeft een nieuw besluit op bezwaar van 4 mei 2010 ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus
- Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen, terwijl het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai. II. OVERWEGINGEN 1.
- Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Thans volstaat de Raad met het volgende. 1.
- Bij besluiten van 18 augustus 2006 (primair besluit I), 8 november 2006 (primair besluit II) en 14 november 2006 (primair besluit III) heeft het Uwv beslist dat (I) de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, wegens verdiensten uit arbeid in de jaren 1997 tot en met 2004 niet volledig tot uitbetaling komt, (II) in verband hiermee zijn BV Bankentoeslag wordt aangepast en (III) dat over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 2004 een bedrag van € 97.353,64 aan onverschuldigd betaalde uitkering wordt teruggevorderd. 1.
- Bij besluit van 6 maart 2007 heeft het Uwv het tegen de primaire besluiten I tot en met III door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. 1.
- Bij uitspraak van 11 maart 2008 (07/2573) heeft het Uwv het beroep van appellant tegen het besluit van 6 maart 2007 gegrond verklaard, het besluit van 6 maart 2007 vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. 1.
- Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 11 maart 2008 heeft het Uwv het besluit van 8 augustus 2008 (bestreden besluit I) genomen, waarbij het Uwv de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten I tot en met III opnieuw ongegrond heeft verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit I ingestelde beroep ongegrond verklaard. 3.
- Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. 3.
- Hangende het hoger beroep heeft het Uwv het hiervoor in rubriek I vermelde besluit van 4 mei 2010 (bestreden besluit II) ingezonden. Daarbij heeft het Uwv het bezwaar tegen de primaire besluiten I tot en met III alsnog gegrond verklaard, in die zin dat de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse over de jaren 1997 en 2000 wordt aangepast, waardoor het totale bedrag dat over de periode van 1 augustus 1996 tot en met 31 december 2004 wordt teuggevorderd, € 93.203,72 bedraagt. 3.
- Bij brief van 24 juni 2010 heeft appellant aangegeven dat met het bestreden besluit II weliswaar inhoudelijk wordt tegemoet gekomen aan zijn hoger beroep, maar dat hij desondanks belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep, nu appellant het onjuist vindt dat het Uwv de kosten, die hij in verband met het bezwaar heeft gemaakt, niet heeft vergoed. Het Uwv heeft zich in het verweerschrift van 19 juli 2010 tegen dit standpunt van appellant gekeerd. Daartoe stelt het Uwv dat van een aan het bestuursorgaan verwijtbare inhoudelijk fout geen sprake is, nu de besluiten eerst zijn gewijzigd nadat appellant een compromis met de Belastingdienst had gesloten. Het Uwv heeft hierin mee willen gaan om tot een einde van de lopende procedures te komen. Voor zover wel sprake zou zijn van enige onrechtmatigheid, betreft het compromis met de Belastingdienst een nieuw feit of omstandigheid waarmee het Uwv niet eerder bekend was of bekend had kunnen zijn. 3.
- Verder dient nog te worden beslist op het verzoek van appellant om immateriële schadevergoeding als gevolg van een mogelijke schending van de redelijke termijn. 4.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Nu het Uwv, door te weigeren de kosten van de behandeling van het bezwaar te vergoeden, met het besluit van 4 mei 2010 niet geheel is tegemoet gekomen aan het hoger beroep van appellant, zal de Raad met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen de aangevallen uitspraak mede gericht achten tegen het bestreden besluit II. Deze zaak is bij de Raad geregistreerd onder nummer 10/5003 WAO. Aangezien het Uwv met dit besluit het bestreden besluit I niet heeft gehandhaafd, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond te worden verklaard. 4.
- Ten aanzien van het standpunt van appellant dat het Uwv is gehouden de kosten, die appellant in verband met het bezwaar tegen het bestreden besluit heeft gemaakt, te vergoeden, oordeelt de Raad als volgt. 4.
- Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 4.
- Anders dan het Uwv meent, dienen de primaire besluiten I tot en met III, nu deze zijn herroepen, naar het oordeel van de Raad als onrechtmatig te worden aangemerkt. Bij een inhoudelijk onjuist primair besluit is de verwijtbaarheid van het bestuursorgaan een gegeven, tenzij het aan betrokkene is te wijten dat dit onrechtmatige primaire besluit is afgegeven. Van dit laatste is geen sprake. Het bestreden besluit II dient, voor zover hierbij vergoeding van de kosten van het bezwaar als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is afgewezen, dan ook te worden vernietigd. Aan appellant dient vervolgens voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding te worden toegekend. Deze kosten worden begroot op € 644,-. 4.
- Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), voor het geval de totale procedure langer dan vier jaar zou duren. De Raad wijst dit verzoek af. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het eerste bezwaarschrift van appellant op 16 september 2006 tot de datum van deze uitspraak zijn nog geen vier jaren verstreken. Gelet op de totale behandelingsduur kan naar het oordeel van de Raad derhalve niet worden gezegd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
- Met betrekking tot de proceskosten in beroep en in hoger beroep overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2008 gegrond en vernietigt dit besluit; Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 mei 2010 gegrond en vernietigt dat besluit, doch slechts voor zover daarin is geweigerd de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar te vergoeden; Veroordeelt het Uwv in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en het hoger beroep heeft gemaakt tot een bedrag van in totaal € 1.932,-te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september
- (get.) D.J. van der Vos. (get.) M. de Moor. GdJ