← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN7168

09/5020 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 augustus 2009, 08/4962 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 8 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld en is een stuk ingezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni

  1. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster voor 40 uur per week, is met psychische klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden. Het Uwv heeft haar ingaande 27 april 2004 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). 1.
  3. In mei 2005 heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante plaatsgevonden aan de hand van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (aSB). Op grond van de resultaten van deze herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 11 juli 2005 de WAO-uitkering van appellante ingaande 12 september 2005 ingetrokken, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. 1.
  4. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vervolgens herbeoordeeld per 22 februari 2007 respectievelijk 2 maart 2007, daarbij toepassing gevende aan het Besluit van 29 augustus 2007 houdende wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2007, 324). Het Uwv heeft op verzoek van appellante een volledige sociaal-medische beoordeling verricht. Bij besluit van 16 april 2008 heeft het Uwv geweigerd appellante ingaande 22 februari 2007 respectievelijk 2 maart 2007 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Deze weigering berust op het standpunt van het Uwv dat appellante op die data vanwege spanningsklachten en somatoforme klachten beperkt is ten aanzien van psychisch belastende aspecten in arbeid en vanwege rechterarmklachten aangewezen is op arbeid die deze dominante arm niet te zwaar belast, en dat appellante met inachtneming van deze beperkingen geschikt is te achten voor de maatgevende arbeid alsmede voor gangbare arbeid. Het verlies aan verdiencapaciteit bedraagt op grond van een theoretische schatting minder dan 15%. In het besluit van 16 april 2008 is verder vermeld dat niet wordt teruggekomen van het besluit van 11 juli
  5. Bij besluit op bezwaar van 2 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 16 april 2008 gehandhaafd.
  6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooreerst overwogen dat zij de vermelding in het besluit van 16 april 2008 dat niet wordt teruggekomen van het besluit van 11 juli 2005 als een kennelijke onjuistheid aanmerkt nu een dergelijke beoordeling niet heeft plaatsgevonden. Aangaande de door het Uwv verrichte beoordelingen van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 22 februari 2007 en 2 maart 2007 heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies daarvan. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank voorts voldoende gemotiveerd dat appellante op de in geding zijnde data geschikt is voor haar maatgevende functie alsmede voor de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
  7. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar belastbaarheid niet juist heeft vastgesteld. Naar de mening van appellante blijkt uit de voorhanden zijnde medische stukken genoegzaam dat zij niet in staat was duurzaam arbeid te verrichten. Appellante heeft onder verwijzing naar een op 10 juni 2009 gedateerde verklaring van plastisch chirurg C.M.W. Baert aangevoerd dat de destijds door haar ondervonden rug- en nekklachten wel degelijk objectiveerbaar waren. Daartoe heeft appellante gesteld dat die klachten voor een groot deel, zo niet geheel, moeten worden teruggevoerd op een verkeerde positie van een borstvergrotingsprothese rechts. Hierdoor kon appellante haar arm niet frequent of langdurig gebruiken. Appellante heeft betwist dat de maatgevende functie in medisch opzicht geschikt is voor haar, evenals de voor haar geselecteerde functies, die wat de werkzaamheden betreft in het verlengde liggen van de maatgevende functie.
  8. De Raad overweegt als volgt. 4.
  9. De Raad stelt vast dat appellante geen gronden heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het geschil zich toespitst op de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 22 februari 2007 en 2 maart 2007 juist heeft vastgesteld en zal zich daarom beperken tot dit punt van geschil. 4.
  10. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is om de door de het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante voor onjuist te houden en onderschrijft de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen. De door appellante in hoger beroep overgelegde verklaring van plastisch chirurg Baert, evenals de brief van 3 juni 2010 waarin de visie van de medisch adviseur van appellante is verwoord, hebben geen twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. De Raad overweegt daartoe dat de verzekeringsarts op grond van de geclaimde pijnklachten aan de rechterarm beperkingen heeft vastgesteld met betrekking tot de rechterarm- en schouderfunctie, zonder dat er destijds een duidelijk anatomische substraat voor die klachten was aan te wijzen. De verzekeringsarts heeft aangenomen dat appellante vanwege haar klachten aangewezen is op arbeid die de rechterdominante arm niet te zwaar belast. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van frequent reiken tijdens het werk, tillen of dragen en bovenhands werken. De bezwaarverzekeringsarts heeft de verzekeringsarts gevolgd in zijn standpunt. Het enkele feit dat de pijnklachten achteraf mogelijk verklaard kunnen worden door een verkeerde positie van een borstvergrotingsprothese rechts brengt niet met zich mee dat onvoldoende beperkingen zijn gesteld. Immers, bij het vaststellen van de belastbaarheid is met de klachten van appellante rekening gehouden. De verzekeringsarts heeft naar het oordeel van de Raad bij rapport van 30 november 2007 voorts genoegzaam uiteengezet waarom er geen duurbeperking aangenomen dient te worden. 4.
  11. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de FML van 17 september 2008 is de Raad van oordeel dat het Uwv met het rapport van 15 april 2008 van de arbeidsdeskundige genoegzaam heeft aangetoond dat appellante geschikt is voor de maatgevende functie van administratief medewerkster. Geschiktheid voor de maatmanarbeid rechtvaardigt in beginsel de vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Er zijn geen omstandigheden die de juistheid van deze vooronderstelling aantasten. 4.
  12. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  13. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september
  14. (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.A. van Amerongen. EF

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.