← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN7212

09/2919 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 april 2009, 08/4251 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Verbraaken-Vooys, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met als bijlage een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 10 juli

  1. Bij brief van 28 september 2009 heeft appellante nadere medische stukken ingediend. Het Uwv heeft daarop gereageerd met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 13 oktober
  2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus
  3. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts. II. OVERWEGINGEN 1.
  4. Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster gedurende 20 uur per week, is na een zwangerschaps- en bevallingsuitkering als gevolg van rug- en bekkenklachten ongeschikt voor haar arbeid gebleven. Met ingang van 10 oktober 2000 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2005 is haar mate van arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld. Dit heeft geleid tot intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering per 28 juli 2005, omdat appellante in staat werd geacht met passende arbeid een zodanige loonwaarde te realiseren dat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Aansluitend is haar een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet verstrekt. Vanuit deze uitkeringssituatie heeft appellante zich op 16 oktober 2006 ziek gemeld met hoofdpijn, migraine en duizeligheid. Het Uwv heeft haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) verstrekt. 1.
  5. Op 5 februari 2008 heeft de verzekeringsarts appellante in verband met haar lage rugklachten beperkt geacht voor zwaar rugbelastend werk en in verband met haar psychische klachten beperkt geacht voor onder meer leidinggevende werkzaamheden, solitaire eindverantwoordelijkheid, structureel overwerk, veelvuldige conflictsituaties en deadlines en zeer intensieve emotionele klant-/patiëntcontacten gedurende de hele dag. De verzekeringsarts heeft appellante per 5 maart 2008 geschikt geacht voor de aan de laatste WAO-schatting ten grondslag gelegde functie van productie medewerker industrie (met sbc-code 111180). Bij besluit van 5 maart 2008 is appellante per die datum (verdere) uitkering ingevolge de ZW geweigerd. Bij besluit van 29 april 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv met verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 28 april 2008 het bezwaar tegen het besluit van 5 maart 2008 ongegrond verklaard.
  6. De rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen geen aanleiding te zien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Op het in beroep overgelegde rapport van de arts-assistent -radiologie- H.M.H. Duijsens is volgens de rechtbank afdoende gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank ziet in het licht van de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst, die aan de WAO-schatting ten grondslag is gelegd, en mede gelet op het rapport van de neuroloog C.L. Kraaijeveld geen redenen om aan te nemen, dat de rugklachten zijn onderschat. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, dat een lumbosacrale overgangswervel past bij aspecifieke rugklachten en geen aanleiding geeft om het medisch oordeel aan te passen, voor onjuist te houden. De rechtbank heeft overwogen dat appellante geen medische informatie van de behandelend fysiotherapeut heeft overgelegd, die haar standpunt dat zij toegenomen rugklachten heeft zou kunnen onderbouwen. De rechtbank heeft het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de psychische klachten bekend zijn en niet zijn gewijzigd onderschreven. De rechtbank heeft daarbij betrokken, dat appellante geen medische informatie van de behandelend psychiater K. Kasi heeft overgelegd, waaruit zou kunnen blijken dat zij toegenomen psychische klachten heeft. Ten aanzien van de stelling van appellante, dat zij de functie van productie medewerker industrie niet zou kunnen vervullen in verband met haar medicatie heeft de rechtbank geoordeeld, dat uit het Resultaat Functiebeoordeling niet valt af te leiden dat in deze functie sprake zou kunnen zijn van een persoonlijk risico. 3.
  7. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar beperkingen ten gevolge van haar rug- en psychische klachten zijn onderschat. Daarbij is informatie van de huisarts R.B. Amons, de fysiotherapeut C. van Kesteren en de gynaecoloog F.C.M. Twaalfhoven overgelegd. 3.
  8. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapporten van 10 juli 2009 en 13 oktober 2009 in reactie daarop aangegeven, dat er geen (nieuwe) medische informatie is aangeleverd, die aanleiding geeft om op het eerder ingenomen standpunt terug te komen.
  9. De Raad oordeelt als volgt. 4.
  10. De Raad is met de rechtbank, onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hierover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, van oordeel dat het Uwv de juiste maatstaf arbeid heeft gehanteerd door onder ”zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW in dit geval te verstaan de functie van productie medewerker industrie, zijnde één van de aan de laatste WAO-schatting ten grondslag gelegde functies. 4.
  11. De Raad stelt vast dat de in hoger beroep aangevoerde gronden goeddeels een herhaling vormen van de gronden in beroep. Hetgeen de rechtbank hierover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen onderschrijft de Raad. Voorts overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn bovenvermelde rapporten voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de in hoger beroep overgelegde nieuwe (para)medische informatie geen aanleiding vormt om appellante zodanig (meer) beperkt te achten, dat zij op grond daarvan buiten staat is te achten de fysiek lichte en voornamelijk zittend uitgevoerde functie van productie medewerker industrie te vervullen. 4.
  12. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak derhalve voor bevestiging in aanmerking komt.
  13. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september
  14. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) T.J. van der Torn. NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.