← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN7234

10/159 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 december 2009, 09/2813 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus

  1. Appellante is verschenen met bijstand van haar raadsman. Voor het Uwv verscheen J.M.W. Beers. II. OVERWEGINGEN
  2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van 10 maart 2009 ter uitvoering van de Werkloosheidswet (WW). Met dat besluit heeft het Uwv zijn besluit van 19 november 2008 tot herziening en terugvordering van WW-uitkering gewijzigd en zijn besluit van 3 december 2008 tot oplegging van een boete gehandhaafd. De aan appellante toegekende WW-uitkering wordt in verband met verrichte werkzaamheden met terugwerkende kracht tot 30 april 2007 herzien en over de periode van 30 april 2007 tot en met 18 mei 2008 wordt een bedrag van € 1.379,07 teruggevorderd. Er is een boete opgelegd wegens het niet voldoen aan de mededelingsplicht, waarvan het bedrag is vastgesteld op € 160,-. Ten slotte heeft het Uwv de in bezwaar gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand vergoed.
  3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank alle beroepsgronden van processuele aard verworpen, vastgesteld dat appellante haar stelling dat zij het Uwv van alle gewerkte uren op de hoogte stelde niet heeft onderbouwd en geoordeeld dat in de persoonlijke omstandigheden van appellante geen dringende reden is gelegen op grond waarvan het Uwv van herziening en terugvordering van de WW-uitkering en van oplegging van een boete had moeten afzien. 3.
  4. Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar haar gronden van bezwaar en beroep. Ter zitting van de Raad heeft zij als gronden van het hoger beroep alleen gehandhaafd haar stellingen dat het besluit van 10 maart 2009 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dat sprake is van een dringende reden die aanleiding vormt om geheel of gedeeltelijke af te zien van de terugvordering en de boete. 3.
  5. Met betrekking tot de terugvordering heeft het Uwv zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld. Hij heeft ter zitting van de Raad het standpunt met betrekking tot de boete verlaten. Het Uwv is thans van mening dat de moeilijke persoonlijke omstandigheden van appellante in de periode waarin zij geen juiste opgave deed van haar werkzaamheden aan een boeteoplegging in de weg staan.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. Nu het Uwv de boete niet langer handhaaft, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Het besluit van 10 maart 2009 kan evenmin in stand blijven voor zover dit de boeteoplegging betreft. De Raad zal het besluit van 3 december 2008 herroepen. 4.
  8. De Raad leest de aangevallen uitspraak aldus dat naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsregel ertoe verplicht dat een beslissing op bezwaar wordt opgesteld door de medewerker van het Uwv die een betrokkene heeft gehoord. De Raad onderschrijft dit oordeel. Met het bepaalde in artikel 7:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht en in artikel 24, tweede lid, van Reglement behandeling bezwaarschriften Uwv 2009 is tot uitdrukking gebracht dat bij het horen van een betrokkene en het beslissen op diens bezwaar van belang is dat blijkt van een onbevooroordeelde houding van de medewerker die hoort. Niet in geschil is dat niet alleen de medewerker van het Uwv die appellante heeft gehoord maar ook de medewerker die op het bezwaar heeft beslist niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de besluiten waartegen appellante bezwaar maakte. Indien, zoals in het geval van appellante, het horen gebeurt door een medewerker die niet de beslissing op bezwaar opstelt, is van belang dat van het verloop van de hoorzitting blijkt uit een volledig verslag daarvan. Appellante heeft ter zitting erkend dat het verslag van de hoorzitting van 4 maart 2009 een zakelijke en volledige weergave is van hetgeen is besproken. De Raad volgt appellante dan ook niet in haar opvatting dat het besluit van 10 maart 2009 niet zorgvuldig tot stand is gebracht. Appellante heeft uiteengezet dat zij tijdens de hoorzitting de indruk kreeg dat de hoorder veel begrip had voor haar moeilijke persoonlijke omstandigheden. Het enkele feit dat nadien niet in verband met die omstandigheden (volledig) aan haar bezwaren is tegemoet gekomen leidt er niet toe dat aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming moet worden getwijfeld. 4.
  9. In hoger beroep is niet langer in geschil dat appellante heeft nagelaten op haar werkbriefjes gewerkte uren te vermelden tot een aantal als opgesomd in het besluit van 10 maart
  10. Op grond van het bepaalde in artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 36, eerste lid, van de WW is het Uwv gehouden de uitkering te herzien en de als gevolg daarvan onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Aan de parlementaire behandeling van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid ontleent de Raad, zoals hij in eerdere uitspraken heeft verwoord, dat de dringende redenen als bedoeld in artikel 22a, tweede lid, en artikel 36, vierde lid, van de WW slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die de herziening dan wel de terugvordering voor een betrokkene heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Appellante heeft met betrekking tot haar financiële positie geen bijzondere of uitzonderlijke situatie naar voren gebracht en ter zitting bevestigd dat zij de met het Uwv overeengekomen betalingsregeling nakomt. De Raad is gelet daarop met de rechtbank van oordeel dat in de door appellante, ter zitting nader toegelichte, moeilijke persoonlijke omstandigheden in de periode waarin zij haar onjuiste opgaven deed geen dringende redenen zijn gelegen die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn om geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering af te zien. 4.
  11. Uit de overwegingen onder 4.2 en 4.3 volgt dat het besluit van 10 maart 2009 stand houdt voor zover dit de herziening van de WW-uitkering met terugwerkende kracht tot 30 april 2007 betreft en de terugvordering van het bedrag van € 1.379,07 dat teveel aan uitkering is betaald over de periode van 30 april 2007 tot en met 18 mei
  12. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Hij begroot deze kosten in beroep op een bedrag van € 644,- en in hoger beroep op een bedrag van € 874,-, in totaal een bedrag van € 1.518,-, voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 maart 2009 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij het besluit van 3 december 2008 is gehandhaafd; Herroept het besluit van 3 december 2008; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,-; Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 151,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september
  13. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) M.A. van Amerongen. TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.