← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN7236

09/2613 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 april 2009, 08/1567 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.H.C.K. Reijans, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen. II. OVERWEGINGEN 1.

  1. Bij besluit van 4 mei 1993 is aan appellant, geboren op 28 april 1967, geweigerd een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen omdat hij niet voldeed aan de inkomenseis. Bij dit besluit is tevens meegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid niet eerder is ingetreden dan op 1 september
  2. Hiertegen heeft hij geen rechtsmiddel aangewend. 1.
  3. Met een door het Uwv op 10 oktober 2007 ontvangen aanvraagformulier heeft appellant verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in verband met sinds zijn jeugd bestaande psychische klachten. 1.
  4. Appellant is op 28 mei 2008 onderzocht door verzekeringsarts G. Weber. In een rapport van dezelfde datum heeft Weber als claimklacht vermeld dat appellant ernstige psychische problemen heeft als gevolg van ingrijpende gebeurtenissen vanaf jonge leeftijd alsmede verslavingsproblemen. Weber heeft informatie verkregen van de huisarts, van de Riagg en kennisgenomen van een brief van het Arrondissementsparket te Roermond over aangiften van appellant van zedenmisbruik. Op basis van dossierstukken, spreekuurcontact en eigen onderzoek heeft Weber geconcludeerd dat er, bij gebrek aan objectieve medische gegevens met betrekking tot de jaren 1984/1985, geen sprake is van aantoonbare arbeidsongeschiktheid van appellant in zijn 17e levensjaar. 1.
  5. Bij besluit van 3 juni 2008 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen op de grond - kort weergegeven - dat appellant op de dag dat hij 17 jaar werd niet arbeidsongeschikt was. Daaraan is toegevoegd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken die er toe leiden dat teruggekomen moet worden van de beslissing van 4 mei
  6. 1.
  7. In bezwaar heeft appellant ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij bij het bereiken van de leeftijd van 17 jaar al volledig arbeidsongeschikt was een rapportage overgelegd van psycholoog A. Beugels van 30 juni 2008 en een brief van bedrijfsarts J. Jonkhans van 21 augustus
  8. Beugels heeft de belastende en traumatische opvoedingssituatie van appellant beschreven en aangegeven welke beperkingen appellant heeft voor het verrichten van arbeid. Ook is ingebracht een brief van 3 juli 2008 van J. Frijns, een rechercheur die indertijd betrokken is geweest bij het onderzoek naar zedenmisbruik in het gezin van appellant, en een brief van het Ministerie van Defensie waaruit blijkt dat appellant in april 1984 ongeschikt werd bevonden voor de militaire dienst. 1.
  9. Bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen heeft na weging van alle beschikbare (medische) gegevens in een rapportage van 4 september 2008 het standpunt van Weber onderschreven. 1.
  10. Bij besluit van 9 september 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juni 2008 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het standpunt gehandhaafd dat er geen grond is om het besluit van 4 mei 1993 te herzien en dat appellant niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.
  11. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  12. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure geformuleerde gronden en argumenten herhaald. Naar zijn oordeel zijn er voldoende aanknopingspunten voor het aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid sinds zijn 17e levensjaar. 4.
  13. De Raad overweegt als volgt. 4.
  14. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dienen aanspraken van een verzekerde in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraak betrekking heeft. Het Uwv heeft in het geval van appellant zijn besluitvorming ten onrechte uitsluitend gebaseerd op de bepalingen van de Wajong, die eerst met ingang van 1 januari 1998 in werking is getreden, terwijl de vraag is of appellant op grond van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) zoals deze luidden in 1984/1985 als jeugdgehandicapte is te beschouwen. 4.
  15. De Raad is van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van alle beschikbare gegevens, waaronder de door appellant in bezwaar ingebrachte rapportages en brieven, tot het oordeel hebben kunnen komen dat appellant op zijn 17e levensjaar niet zodanige beperkingen had als gevolg van ziekte of gebrek dat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong sprake was. Daaruit volgt, gelet op feit dat artikel 5, eerste lid, van de Wajong niet anders luidt dan artikel 6, eerste lid, van de AAW, dat appellant niet als jeugdgehandicapte in zin van de AAW kan worden aangemerkt. 4.
  16. De Raad onderschrijft de opvatting van bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen in haar rapportage van 4 september 2008 ten aanzien van de rapportage van psycholoog Beugel en de gegevens van de Riagg. Beugel beschrijft niet de medische situatie van appellant ten tijde van de datum in geding, de 17e verjaardag. Hij beziet de klachten en beperkingen van appellant ten tijde van zijn onderzoek op 24 juni 2008 en geeft zijn mening over de arbeidsgeschiktheid van appellant op dat moment en de hulp die nodig is om zijn psychische toestand te verbeteren. Ook de gegevens van de Riagg zien op perioden die liggen ruim na de datum in geding. 4.
  17. De Raad is verder met de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat de in 1984 afgegeven ongeschiktverklaring voor de militaire dienst niet voldoende is om aan te nemen dat appellant toen ook arbeidsongeschiktheid was in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. In dat verband is van belang dat appellant nadien wel in staat is gebleken om van mei 1985 tot november 1986 reguliere arbeid in dienstverband te verrichten. 4.
  18. Het is duidelijk dat appellant in zijn jeugd zeer ernstige gebeurtenissen heeft meegemaakt die van invloed zijn geweest op zijn psychisch en sociaal functioneren. De Raad twijfelt niet aan de beschrijving die appellant heeft gegeven van hetgeen in zijn familiekring heeft plaatsgevonden. Verschillende tot de gedingstukken behorende rapportages en de brief van Frijns maken melding van de ernst daarvan. Dat de gebeurtenissen later hebben geleid tot arbeidsongeschiktheid van appellant staat vast. Voor de stelling van appellant dat hij bij het bereiken van de leeftijd van 17 jaar al arbeidsongeschikt was, ontbreekt zoals hiervoor overwogen een voldoende onderbouwing. 4.
  19. Dat appellant zich in een lastige positie bevindt om medische gegevens te achterhalen die betrekking hebben op zijn medische toestand in de jaren 1984/1985, is een gevolg van het feit dat hij eerst in oktober 2007 de Wajong-aanvraag heeft gedaan. Naar het oordeel van de Raad is dit voor risico van appellant. 4.
  20. De Raad komt net als de rechtbank tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat uit de van appellant en bij eigen onderzoek verkregen informatie niet volgt dat appellant in zijn 17e levensjaar al arbeidsongeschikt was, zodat er geen reden is om het besluit van 4 mei 1993 te herzien, appellant alsnog aan te merken als jeugdgehandicapte in de zin van de AAW en hem in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering. 4.
  21. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  22. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september
  23. (get.) M. Greebe. (get.) D.E.P.M. Bary. NW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.