09/4865 WAZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 augustus 2009, 08/4775 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant stelde hoger beroep in. Het Uwv voerde verweer. Het onderzoek ter zitting vond plaats op 6 augustus
- Appellant verscheen in persoon. Namens het Uwv verscheen mr. B.H.C. de Bruijn. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant ontving een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz) en was ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% toen hij met een brief van 22 januari 2008 vroeg om verhoging van zijn uitkering wegens een verergering van zijn rug- en heupklachten. Met zijn besluit van 8 juli 2008 wees het Uwv dat verzoek na medisch en arbeidskundig onderzoek af. 1.
- Op het bezwaar van appellant besliste het Uwv op 26 september 2008 en hij handhaafde zijn besluit van 8 juli
- Het Uwv nam op 24 december 2008 een gewijzigd besluit op bezwaar en deelde appellant ingaande 6 juni 2008 in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55% in.
- Met zijn beroep wil appellant een verdere verhoging van zijn Waz-uitkering bereiken. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 24 december 2008 ongegrond. Hiertegen richt zich het hoger beroep. 3.
- De Raad gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste, feiten. 3.
- Appellant werkte laatstelijk als zelfstandig varkenshouder. Voor dat werk viel hij in september 1987 wegens rug- en knieklachten uit en in aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd is hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 3.
- De verzekeringsarts onderzocht appellant op zijn spreekuur van 18 april
- Hij was van oordeel dat de gezondheid van appellant niet is verslechterd ten opzicht van eerdere beoordelingen in 2006 en
- Hij stelde echter een zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met beperkingen voor rug- en kniebelastende activiteiten, vergelijkbaar met het in 2001 opgestelde belastbaarheidspatroon volgens het toen gehanteerde FIS, dat meer beperkingen bevatte dan de in 2006 vastgestelde FML. De bezwaarverzekeringsarts stelde als diagnose chronische aspecifieke rugklachten bij een discopathie en degeneratieve knieklachten en hij onderscheef de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts. 3.
- Aan de hand van de door de verzekeringsarts in 2008 opgestelde FML raadpleegde de arbeidsdeskundige het Claimbeoordelings- en borgingssysteem en selecteerde geschikte functies. Het loonverlies bedroeg volgens zijn berekening ongeveer 40%. In beroep liet de bezwaararbeidsdeskundige twee van die functies vervallen. Aangevuld met de functies schadecorrespondent en telefonist/receptionist resteren dan drie functies, zij het dat het loonverlies ongeveer 46% bedraagt. Dat is de aanleiding voor het besluit van 24 december
- In hoger beroep herhaalt appellant dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Verder voert hij andermaal aan dat zijn particuliere verzekeraar hem als ongeveer 75% arbeidsongeschikt aanmerkt. 5.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het, gemotiveerde, oordeel van de (bezwaar-)verzekeringsarts. Appellant onderbouwde zijn andersluidende standpunt niet met medische stukken. 5.
- In de aangevallen uitspraak overweegt de rechtbank terecht dat het oordeel van de particuliere verzekeraar over de mate van arbeidsongeschiktheid hier doorslaggevende betekenis mist, omdat de particuliere verzekeraar een van de Waz afwijkend arbeidsongeschiktheidsbegrip en afwijkende berekeningsmethode gebruikt. 5.
- De geschiktheid van de (resterende) functies is voldoende toegelicht. 5.
- De verzekeringsarts concludeerde dat de in 2006 opgestelde FML de medische beperkingen van appellant niet geheel juist weergaf. Dat was de reden dat hij terugviel op het in 2001 opgestelde belastbaarheidspatroon. De Raad nam kennis van de toezegging van het Uwv ter zitting dat hij op verzoek van appellant bereid is tot een herbeoordeling naar de situatie in
- Dat valt echter buiten de omvang van dit hoger beroep.
- Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigen.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door als J.W. Schuttel voorzitter, C.W.J. Schoor en R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september
- (get.) J.W. Schuttel. (get.) M. Mostert. TM