10/3441 WWB 10/4074 WWB-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter U I T S P R A A K als bedoeld in de artikelen 84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van: [Verzoeker] (hierna: verzoeker) in verband met het hoger beroep van: verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2010, 09/3734 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: verzoeker en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 7 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens verzoeker heeft mr. K.R. Verkaart, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Namens verzoeker heeft mr. Verkaart tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 24 augustus 2010, waar partijen - met bericht - niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.
- Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 1.
- Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. 1.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
- De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 2.
- Verzoeker is een meerderjarige vreemdeling van gestelde Chinese nationaliteit. Hij heeft een verzoek ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Verzoeker stelt dat hij geen reisdocumenten heeft en dat de Chinese autoriteiten niet meewerken om hem vervangende documenten te verschaffen. 2.
- Op 15 juni 2009 is namens verzoeker bij het College een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. 2.
- Bij besluit van 19 juni 2009 heeft het College die aanvraag afgewezen. 2.
- Bij besluit van 23 september 2009 heeft het College het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 19 juni 2009 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat verzoeker - in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting - geen inlichtingen heeft verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2009 ongegrond verklaard
- Verzoeker heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
- De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. 5.
- De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 15 juni 2009, de datum van de aanvraag, tot en met 19 juni 2009, de datum waarop het primaire besluit is genomen. 5.
- De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de belanghebbende de inlichtingenverplichting schendt, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft. 5.
- Verzoeker heeft noch bij zijn aanvraag om bijstand noch in zijn bezwaarschrift aangegeven waar hij woonde. Bij brief van 13 augustus 2009 aan gemachtigde van verzoeker heeft het College gevraagd om informatie over de woonplaats en/of verblijfadressen van verzoeker. Bij brief van 14 augustus 2009 heeft gemachtigde van verzoeker geantwoord dat verzoeker thans in Den Haag woont en dat hij het exacte adres niet kan aangeven. Tijdens de hoorzitting van 14 september 2009 heeft gemachtigde van verzoeker aangegeven dat verzoeker geen vaste verblijfplaats heeft en dat hij momenteel waarschijnlijk in Rotterdam verblijft. Op het verzoek van de rechtbank van 5 november 2009 om het (volledige) adres van verzoeker op te geven, heeft gemachtigde van verzoeker als diens adres [adres] te Rotterdam opgegeven. Ter zitting heeft gemachtigde van verzoeker verklaard dat verzoeker in het kader van het onder 2.1 genoemde verzoek om een verblijfsvergunning een adres in Den Haag heeft opgegeven, dat hij nu in Rotterdam woont en dat verzoeker in elke stad het probleem heeft dat hij zijn feitelijk verblijf niet kan bewijzen. 5.
- De Raad is, gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen, met de rechtbank van oordeel dat verzoeker onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woonadres gedurende de hier te beoordelen periode. Daarmee heeft verzoeker de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of jegens het College recht bestaat op bijstand. 5.
- Anders dan appellant in hoger beroep heeft aangevoerd was het College naar het oordeel van de Raad niet verplicht de aanvraag om bijstand van verzoeker met toepassing van artikel 2:3, eerste lid, van de Awb door te zenden naar het college van burgemeester en wethouders van een andere gemeente. Gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen bestond ten tijde hier in geding immers geen duidelijkheid over de woonplaats van verzoeker als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB. Dat betekent dat de aanvraag van verzoeker geen geschrift was tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan dan het College bevoegd was. Hiervan uitgaande was niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 2:3, eerste lid, van de Awb. 5.
- Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.5 is overwogen volgt dat het College de aanvraag van verzoeker terecht heeft afgewezen. Dit leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 5.
- Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening.
- Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding. III. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep; Recht doende: in de hoofdzaak: Bevestigt de aangevallen uitspraak. op het verzoek om voorlopige voorziening: Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af. Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september
- (get.) J.J.A. Kooijman. (get.) R. Scheffer. JvS