09/4408 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het verzoek om herziening als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van: [Verzoeker], thans wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker), van de uitspraak van de Raad van 4 mei 2009, 07/5989, in het geding tussen: verzoeker en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College) Datum uitspraak: 7 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens verzoeker heeft wijlen zijn vader, [naam vader], destijds wonende te [naam gemeente], bij brief van 15 juli 2009 om herziening verzocht van de uitspraak van de Raad van 4 mei
- Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli
- Voor verzoeker zijn verschenen zijn zusters, [naam zuster 1] en [naam zuster 2]. Het College heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1.
- Ter zitting van de Raad is verzocht de behandeling van het herzieningsverzoek tot een nadere datum uit te stellen in verband met het overlijden van verzoekers vader. De Raad ziet geen aanleiding dit verzoek in te willigen. Aan verzoeker is al eerder bij brief van 6 mei 2010 uitstel van de behandeling ter zitting van 25 mei 2010 verleend in verband met het overlijden van zijn vader. Gelet hierop behoeft naar het oordeel van de Raad de behandeling van het verzoek geen verder uitstel meer. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat verzoeker bij zijn uitstelverzoek van 1 mei 2010 zelf heeft aangedrongen op een uitstel van slechts korte duur in verband met het ontbreken van inkomen en problemen met zijn woning.
- Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
- In zijn uitspraak van 4 mei 2009 heeft de Raad, oordelend op het hoger beroep van verzoeker, de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 september 2007, 06/4323, bevestigd. De Raad heeft in deze uitspraak overwogen dat verzoeker heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde medewerking te verlenen. Evenals de rechtbank heeft de Raad geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat van verzoeker tijdens de in geding zijnde periode op medische gronden niet kon worden gevergd om naar het kantoor van Sociale Zaken (SZ) te komen en daar gedurende enige tijd een gesprek te voeren. Aangezien hiermee aan de in artikel 54, vierde lid, van de WWB gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan, was het College bevoegd tot intrekking van de bijstand van verzoeker met ingang van 4 mei
- 4.
- Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek betoogd dat de uitspraak van de Raad op onjuiste aannames is gebaseerd. Ten onrechte is overwogen dat verzoeker geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven - ook niet ter zitting van de Raad - voor het feit dat hij (wel) fysiek in staat was om op 8 juni 2006 een brief af te geven bij de receptie van SZ, maar niet om op die dag aan de uitnodiging van SZ voor een gesprek gevolg te geven. Namens verzoeker is aangevoerd dat het niet verzoeker zelf was, maar zijn vader die op 8 juni 2006 de bewuste brief heeft afgegeven. 4.
- De Raad is van oordeel dat hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht niet is aan te merken als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De omstandigheid dat zijn vader de brief heeft afgegeven was bij verzoeker vóór de uitspraak al bekend dan wel kon redelijkerwijs bekend zijn. Dat zijn vader deze omstandigheid ter zitting van de Raad niet te berde heeft gebracht omdat, naar verzoeker stelt, diens hoofd op dat moment “leeg” was, maakt dat niet anders. Zoals de Raad al eerder in zijn rechtspraak tot uitdrukking heeft gebracht, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 3 oktober 2003, LJN AN7982, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening voorts niet gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren, noch ook om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. 4.
- Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en H.J. de Mooij en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september
- (get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns. (get.) R.L.G. Boot. HD