09/4462 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 30 juni 2009, 08/869 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 22 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L.G.M. van der Meer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni
- Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak. II. OVERWEGINGEN
- De Raad verwijst naar de aangevallen uitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hier wordt volstaan met het volgende. 2.
- Appellant ontving van het Uwv sinds 11 september 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 2.
- Op 29 juni 2007 is van de zijde van het Uwv een Rapport werknemersfraude opgesteld, waaruit blijkt dat appellant via internet goederen verkocht en dat hij hieruit over de periode 1 januari 2004 tot 1 juli 2007 inkomsten heeft genoten, zonder deze aan het Uwv te hebben gemeld. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv appellant bij besluit van 23 augustus 2007 bericht dat zijn uitkering per 1 januari 2004 in verband met verkregen inkomsten uit arbeid wordt uitbetaald als ware hij 25 tot 35% arbeidsongeschikt en dat zolang niet vaststaat dat appellant de verrichte arbeid duurzaam kan verrichten, hij blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Tegen het besluit van 23 augustus 2007 heeft appellant geen bezwaarschrift ingediend. 2.
- Het Uwv heeft bij besluit van 1 november 2007 over de periode van 1 januari 2004 tot 31 december 2006 een bedrag van € 41.772,15 en over de periode 1 januari 2007 tot en met 31 juli 2007 een bedrag van € 5.411,21 aan onverschuldigde betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd. Het hiertegen ingediende bezwaar is vervolgens door het Uwv gegrond verklaard in zoverre dat de terugvordering over laatstgenoemde periode is komen te vervallen, omdat de verdiensten van appellant over die periode nog niet vaststonden. 2.
- De arbeidsdeskundige G.S. van Lieshout heeft in het rapport van 14 februari 2008 vastgesteld dat appellant in de jaren 2004 tot en met 2006 inkomsten uit arbeid heeft gehad, welke eerder door de afdeling fraude zijn geschat op een bedrag van € 20.000,- per jaar. Van Lieshout concludeerde dat de WAO-uitkering van appellant per 1 januari 2007 op grond van artikel 44, tweede lid, van de WAO definitief dient te worden herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv vervolgens bij besluit van 18 februari 2008 bepaald dat de arbeid die appellant heeft verricht met ingang van 1 januari 2007 wordt beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid waartoe appellant met zijn krachten en bekwaamheden in staat is zodat zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen en met ingang van 1 januari 2007 wordt vastgesteld op 25 tot 35%. 2.
- Bij besluit van 21 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 februari 2008 gegrond verklaard in zoverre dat indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% eerst met ingang van 19 februari 2008 plaatsvindt.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de door appellant verrichte arbeid na drie jaar terecht is aangemerkt als algemeen geaccepteerde arbeid waartoe appellant met zijn krachten en bekwaamheden in staat was. Gelet op de omvang van de arbeid en de daaruit verkregen inkomsten, kan volgens de rechtbank worden vastgesteld dat appellant werkzaamheden in het economische verkeer heeft verricht met een aantoonbare loonwaarde, zodat van hobbymatige activiteiten geen sprake is. De inkomsten zijn terecht vastgesteld op € 20.000,- per jaar. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat appellant aan de besluitvorming van het Uwv niet het vertrouwen kon ontlenen dat niet tot herziening van zijn WAO-uitkering op grond van artikel 44, tweede lid, van de WAO zou worden overgegaan.
- In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat een zeer groot deel van zijn inkomsten over de jaren 2004 tot en met 2006 zijn verkregen door verkoop van privé-eigendommen, hetgeen niet mag worden gezien als inkomsten uit arbeid. Verder heeft appellant erop mogen vertrouwen dat alleen sprake zou zijn van een korting over de jaren 2004 tot en met 2006 en niet van een definitieve herziening per 18 februari
- 5.
- De Raad overweegt als volgt. 5.
- De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een ander oordeel. In dit verband overweegt de Raad nog het volgende. 5.
- Op grond van voormeld frauderapport staat ook voor de Raad genoegzaam vast dat appellant gedurende drie jaar inkomsten uit arbeid heeft gehad ter hoogte van € 20.000,- per jaar. De stelling van appellant dat een groot deel van deze inkomsten is verkregen uit de verkoop van privé-eigendommen, wat daar ook van zij, noodzaakt niet tot de conclusie dat geen sprake is geweest van inkomsten uit arbeid. De Raad wijst erop dat appellant tijdens het fraudeonderzoek tegenover de opsporingsfunctionaris heeft verklaard dat hij, buiten de verkoop van privé-goederen om, ongeveer € 20.000,- per jaar heeft verdiend. Er zijn geen aanknopingspunten om aan de juistheid van die door appellant afgelegde verklaring te twijfelen. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat in beginsel van de juistheid van tegenover beambten belast met onderzoek naar de rechtmatigheid van uitkeringen afgelegde verklaringen mag worden afgegaan, zodat aan het intrekken daarvan of het achteraf ontkennen van het verklaarde, zeker wanneer dat niet direct nadien gebeurt, geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat er slechts sprake was van hobbymatige activiteiten dan wel dat hij aanzienlijk minder inkomsten heeft gehad. 5.
- Evenals de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat uit de beschikbare gegevens niet kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van het Uwv die bij appellant de gerechtvaardigde verwachtingen kan hebben gewekt dat niet tot herziening van zijn WAO-uitkering op grond van artikel 44, tweede lid, van de WAO zou worden overgegaan. 5.
- Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september
- (get.) T. Hoogenboom. (get.) M. Mostert. RH