09/6970 WIA + 10/2157 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] aan de Rijn (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 december 2009, 09/1386 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 22 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en ter uitvoering van de aangevallen uitspraak ten aanzien van appellante een besluit van 1 april 2010 genomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Waarsenburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf. II. OVERWEGINGEN 1.
- Voor een uitvoerige weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.
- Bij besluit van 22 september 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per 11 juni 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. 1.
- Bij besluit van 19 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 22 september 2008 gehandhaafd.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het Uwv opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 september 2008, met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Ten aanzien van de medische grondslag heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit zorgvuldig is, dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen en dat appellante haar stelling dat zij verdergaand beperkt is niet heeft onderbouwd met medische gegevens of met medische argumenten. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat onvoldoende vast is komen te staan dat appellante de geduide functies kan vervullen zonder in contact te komen met latex. Dit was voor de rechtbank reden het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3.
- In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit aangevochten. Verder heeft appellante gesteld dat zij niet voldoet aan het vereiste opleidingsniveau om de geduide functies te vervullen, en voorts dat deze functies wegens haar schouderklachten en longaandoening in medisch opzicht niet geschikt zijn. 3.
- In het in rubriek I van deze uitspraak vermelde besluit van 1 april 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- De Raad is van oordeel dat het besluit van 1 april 2010 overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in dit hoger beroep moet worden beoordeeld. 4.
- De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Ook de Raad is van oordeel dat de medische beperkingen van appellante door het Uwv niet zijn onderschat. Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd maar overigens niet is onderbouwd met nadere (medische) gegevens, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. 4.
- Aan het besluit van 1 april 2010 ligt een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 maart 2010 ten grondslag. De Raad verenigt zich met de daarin vermelde conclusie(s). De bezwaararbeidsdeskundige heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat appellante de geduide functies met latexvrije handschoenen kan vervullen en dat deze in een omgeving worden verricht waarin geen zwevende latexdeeltjes voorkomen, zodat de functies in zoverre geschikt zijn voor appellante. Verder is de bezwaararbeidsdeskundige terecht tot de conclusie gekomen dat de functies qua opleidingsniveau en qua belastbaarheid geschikt zijn voor appellante. 4.
- Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd dient te worden en dat het beroep tegen het besluit van 1 april 2010 ongegrond dient te worden verklaard.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 april 2010 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september
- (get.) D.J. van der Vos. (get.) M.D.F. de Moor. NK