← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN8025

09/6780 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 november 2009, 08/428 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 22 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus

  1. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen. Betrokkene is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. II. OVERWEGINGEN
  2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, naast gegrondverklaring van het beroep van betrokkene, onder meer appellant veroordeeld in de proceskosten van betrokkene in beroep ten bedrage van € 659,-, bestaande uit een vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en reiskosten (ad € 3,50).
  3. Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant veroordeeld dient te worden tot vergoeding van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep. Appellant heeft aangevoerd dat betrokkene in de beroepsprocedure is bijgestaan door zijn dochter, die advocaat is. Gelet op deze familierelatie is er naar de mening van appellant geen sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Appellant vindt hiervoor steun in de jurisprudentie van de Raad. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank op onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan onderdeel B van de bijlage bij het Bpb, omdat de rechtbank bij de vergoeding van de proceskosten ten onrechte is uitgegaan van de (aangepaste) bedragen zoals die gelden met ingang van 1 oktober
  4. Appellant stelt zich op het standpunt dat op beroepen die zijn ingesteld vóór 1 oktober 2009 de oudere bedragen van toepassing zijn gebleven.
  5. Namens betrokkene is in verweer gesteld dat de verleende rechtsbijstand niet is voortgevloeid uit een mogelijk aanwezige nauwe familierelatie. Benadrukt wordt dat de dochter van betrokkene werkzaam is als advocaat en dat zij in die hoedanigheid regelmatig optreedt in bestuursrechtelijke zaken. Namens betrokkene is voorts gesteld dat de dochter van betrokkene kosten heeft gemaakt teneinde rechtsbijstand te kunnen verlenen, welke zijn gedeclareerd aan betrokkene, evenals de kosten van het honorarium.
  6. De Raad overweegt als volgt. 4.1.
  7. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aan betrokkene door zijn dochter verleende rechtsbijstand overwegend zijn grond vindt in de tussen hen bestaande familierelatie, zodat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling in beroep voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van door een derde beroepsmatig verleende rechtshulp in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb is namelijk geen sprake als tussen degene aan wie de rechtsbijstand wordt verleend en de rechtsbijstandverlener een nauwe familierelatie bestaat. De Raad verwijst naar zijn vaste rechtspraak, onder meer neergelegd in LJN BD
  8. Daaraan doet niet af dat de dochter van betrokkene het honorarium evenals andere kosten heeft gedeclareerd aan betrokkene noch de omstandigheid dat zij regelmatig (voor andere personen) beroepsmatig optreedt in bestuursrechtelijke procedures. 4.1.
  9. De door appellant naar voren gebrachte grief over de wijze waarop de rechtbank uitvoering heeft gegeven aan onderdeel B van de bijlage bij het Bpb kan gelet op hetgeen onder 4.1.1 van deze uitspraak is overwogen onbesproken blijven. 4.
  10. Uit hetgeen onder 4.1.1 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden voor zover appellant daarbij is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten voor verleende rechtsbijstand.
  11. De Raad ziet geen termen aanwezig om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover appellant daarbij is veroordeeld in de kosten van het geding; Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de gemaakte reiskosten in beroep ad € 3,
  12. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september
  13. (get.) D.J. van der Vos. (get.) M.D.F. de Moor. TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.