09/3912 WAO 10/447 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te Turkije (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2009, 08/102 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 22 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op 18 januari 2010 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocaat. Voorts was A. Kaya, tolk, aanwezig. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat op grond van de gedingstukken uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Aan appellante is, in verband met psychische en diverse lichamelijke klachten, met ingang van 4 maart 1983 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 1998 is zij naar Turkije geremigreerd. 1.
- In verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit (hierna: aSB) is appellante in 2005 aan een herbeoordeling onderworpen. Appellante is in Turkije onderzocht en van deze bevindingen is op 14 december 2005 een uitgebreid medisch rapport TH213 opgesteld. Naar aanleiding van dit rapport is appellante in Nederland onderzocht door psychiater W.J. Lubberding en reumatoloog dr. G.H.C. Schardijn, die van hun bevindingen respectievelijk op 15 december 2006 en 5 januari 2007 aan het Uwv verslag hebben gedaan. Op grond van deze onderzoeksresultaten heeft een arts van het Uwv op 10 januari 2007 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. 1.
- Vervolgens is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Schattingsbesluit zoals dat luidde tot 1 oktober 2004 (hierna: oSB). De FML van 10 januari 2007 is op 14 juni 2007 omgezet naar de criteria van het oSB, waarbij de functionele mogelijkheden voor appellante ongewijzigd zijn gebleven. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft op basis van de FML van 14 juni 2007 appellante geschikt geacht voor een vijftal functies en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 15%. Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 3 januari 2008 ingetrokken. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 november 2007 (hierna: bestreden besluit 1) door het Uwv ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconcludeerd dat bestreden besluit 1 rust op een deugdelijke medische grondslag. Aan de aangevallen uitspraak wordt het volgende ontleend, waar voor eiseres en verweerder moet worden gelezen appellante en het Uwv: “
- De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen, zoals weergegeven in de FML van 14 juni 2007, die door de bezwaar verzekeringsarts zijn bevestigd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de onderzoeksmethoden, argumentatie en bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts schriftelijk zijn vastgesteld. Verder is er geen aanleiding om aan te nemen dat het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De rechtbank acht het juist van een zorgvuldige besluitvorming getuigen dat eiseres in Nederland door een onafhankelijke psychiater en reumatoloog is onderzocht. De rechtbank ziet voorts geen grond om te oordelen dat de (bezwaar)verzekeringsarts de onderzoeksresultaten van deze conclusies van de in Turkije geraadpleegde artsen. De conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts zijn verder naar behoren gemotiveerd. De stelling van eiseres dat ten onrechte geen medische informatie is opgevraagd bij haar behandelend specialisten in Turkije kan de rechtbank niet volgen. Ten tijde van het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts stond eiseres immers niet onder behandeling en met het rapport van 8 mei 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts alsnog gereageerd op de door eiseres overgelegde informatie van haar inmiddels behandeld psychiater A. Ayatan en neuroloog N. Yildiz. De bezwaarverzekeringsarts heeft in deze informatie geen aanleiding geien om zin standpunt te wijzigen en de rechtbank kan zich vinden in diens visie. Evenmin onderschrijft de rechtbank de stelling van eiseres dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat zij niet is onderzocht door de bezwaararbeidsdeskundige (lees: bezwaarverzekeringsarts) bestond naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding nu zij reeds was onderzocht door de verzekeringsarts en een onafhankelijke psychiater en reumatoloog. Er was voldoende medische informatie beschikbaar om daarop de schatting te kunnen baseren. Verder heeft eiseres gedurende de beroepsfase voldoende gelegenheid gehad om op de medische rapportage van de bezwaarverzekeringsarts te reageren.” 3.
- Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat de besluiten en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken gebaseerd zijn op de bepalingen van het aSB en dat de omzetting naar het oSB niet is te verifiëren. Appellante acht het medisch onderzoek onvoldoende en onzorgvuldig. Vanwege haar psychische en lichamelijke klachten is zij meer beperkt dan door het Uwv volgens de FML van 14 juni 2007 is aangenomen. Zij heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij niet in staat is de werkzaamheden in de geselecteerde functies te verrichten. Bovendien kan, nu zij naar Turkije is geremigreerd, een op de Nederlandse arbeidsmarkt gerichte functieselectie niet aan de orde zijn. 3.
- Het Uwv heeft het in rubriek I genoemde besluit van 18 januari 2010 (hierna: bestreden besluit 2) genomen. Bij dat besluit is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 3 januari 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Blijkens de aan dat besluit ten grondslag liggende rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 7 januari 2010 is het maatmaninkomen opnieuw vastgesteld, heeft een wijziging plaatsgevonden in de functieselectie en heeft een vergelijking van het gewijzigde maatmaninkomen met de verdiensten in de als passend geachte functies geresulteerd in een verlies van verdienvermogen van 15 tot 25%.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Uit de gedingstukken, in het bijzonder de FML van 14 juni 2007 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 20 juni 2007, blijkt dat het besluit van 26 juni 2007 is gebaseerd is op resultaten van onder toepassing van de criteria van het oSB verrichte onderzoeken. De Raad beschouwt de opmerking in het besluit van 26 juni 2007 dat de mogelijkheden van appellante om te werken onderzocht zijn ‘naar aanleiding van de aangepaste regels voor de schatting van arbeidsongeschiktheid’ als een kennelijke misslag. Ook uit het in bezwaar opgemaakte rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 20 november 2007 en bestreden besluit 1 blijkt dat de schatting is gebaseerd op de regels van het oSB. 4.
- Met betrekking tot de medische beoordeling van bestreden besluit 1 heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de onder 2 aangehaalde overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad is uit het geheel van de voorliggende medische gegevens niet gebleken dat de artsen van het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen van appellante onvoldoende rekening hebben gehouden met haar psychische en lichamelijke klachten noch dat er overigens sprake is van een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht, die twijfel doen rijzen over de juistheid van de FML van 14 juni
- De door appellante bij brief van 1 augustus 2010 verstrekte inlichtingen van de behandelend sector zien alle op de gezondheidstoestand van appellante ruim na de datum in geding, 3 januari
- Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Uit hetgeen hier is overwogen vloeit voort dat de Raad geen aanleiding ziet voor het benoemen van een deskundige. 4.
- De Raad stelt vast dat het Uwv met bestreden besluit 2 te kennen heeft gegeven dat bestreden besluit 1 wegens een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag niet kan worden gehandhaafd. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellante. De aangevallen uitspraak, waarbij bestreden besluit 1 in stand is gelaten dient, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, te worden vernietigd. Bestreden besluit 1 dient eveneens te worden vernietigd. 4.
- Aangezien het Uwv met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellante geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit
- 4.
- Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, gezien het arbeidskundig rapport van 7 januari 2010 niet gebleken dat appellante de aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen. Vergelijking van het voor appellante geldende maatmaninkomen met de verdiensten in deze functies resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, zodat het Uwv bij bestreden besluit 2 de WAO-uitkering van appellante terecht heeft herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. 4.
- De aangevoerde omstandigheid dat appellante sedert 1998 in Turkije woont en aldaar (weer) een nieuw bestaan heeft opgebouwd, leidt niet tot een ander oordeel. De Raad wijst erop dat voor de aanspraak op een WAO-uitkering bepalend is of op grond van de in die wet gehanteerde systematiek sprake is van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid. Ingevolge artikel 3 oSB wordt voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO de in aanmerking te nemen arbeid nader omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies.
- De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit; Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H. Bolt en T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september
- (get.) D.J. van der Vos. (get.) M.A. van Amerongen. TM