10/1463 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 januari 2010, 09/2542 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 24 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus
- Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder. II. OVERWEGINGEN 1.
- Nadat appellante, die geboren is [in] 1959 en werkzaam was als fulltime bejaardenverzorgster, zich op 15 augustus 1983 met pijnklachten van het bewegingsapparaat ziek had gemeld, is haar na afloop van de wettelijke wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
- Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek in het kader van een herbeoordeling op basis van het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft het Uwv bij besluit van 18 juli 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 18 september 2006 ingetrokken. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is op 22 november 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 juni 2008, 06/6472, de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit op bezwaar van 22 november 2006 onderschreven. Omdat eerst in de loop van de beroepsprocedure een voldoende inzichtelijke arbeidskundige motivering werd gegeven, vernietigde de rechtbank dit besluit op bezwaar maar liet zij de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand. De Raad heeft bij uitspraak van 15 juli 2007 (LJN BJ3611) de uitspraak van de rechtbank van 17 juni 2008 bevestigd. 2.
- Naar aanleiding van de hersteloperatie in verband met het regeerakkoord van 22 februari 2007 heeft het Uwv medisch en arbeidskundig onderzoek verricht op basis van het Schattingsbesluit, zoals dat gold voor 1 oktober
- Dit leidde er toe dat het Uwv bij besluit van 23 november 2007 aan appellante met ingang van 22 februari 2007 een WAO-uitkering toekende naar de klasse 15 tot 25%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is op 15 april 2008 ongegrond verklaard. 2.
- De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 januari 2009, 08/2502, het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 15 april 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank was van oordeel dat er geen redenen waren om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante met ingang van 22 februari 2007, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 februari
- De rechtbank oordeelde echter tevens dat de schatting onvoldoende inzichtelijk was door de bijstelling van het opleidingsniveau van appellante van 4 naar
- Met het oog op het nieuw te nemen besluit op bezwaar merkte de rechtbank nog op dat onvoldoende inzichtelijk was of appellante beschikte over een met VMBO theoretische dan wel beroepsgerichte leerweg gelijk te stellen vooropleiding en of de geduide functies op de datum in geding actueel waren. Tegen deze uitspraak heeft appellante geen hoger beroep ingesteld. 2.3.
- Ter uitvoering van de in 2.2 vermelde uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv bij besluit van 13 mei 2009 andermaal beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 november
- Ditmaal heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 23 november 2007 herroepen en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 22 februari 2007 gesteld op 45 tot 55%. 2.3.
- Aan het besluit van 13 mei 2009 heeft het Uwv het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Eekhoudt van 8 mei 2009 ten grondslag gelegd. Eekhoudt heeft de aanvankelijk geduide functies gehandhaafd, zij het dat binnen de SBC-code 315120 (Telefonist, receptionist) vervangende functies zijn geduid. Zij gaf wat betreft de functies een algemene toelichting in verband met het rolstoelgebruik van appellante en ten aanzien van een aantal aspecten in de FML. Ook lichtte zij in haar rapport nog enkele signaleringen per functie toe. Wat betreft het opleidingsniveau gaf Eekhoudt aan dat een MBO-2 opleiding hoger is dan een VMBO diploma ongeacht van welke leerweg. Het verlies aan verdienvermogen berekende Eekhoudt, mede gelet op de voor de functie telefonist, receptionist van toepassing zijnde reductiefactor, op 52,48%. 3.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 13 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. 3.
- De rechtbank wees wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit op haar in overweging 2.2 vermelde uitspraak van 26 januari 2009, waarin zij de medische grondslag van het besluit van 15 april 2008 onderschreef. Voorts kon de rechtbank instemmen met de toelichting van Eekhoudt op de signaleringen in de geduide functies. Ten slotte bleek de rechtbank uit de arbeidsmogelijkhedenlijst niet dat voor appellante, gezien haar opleidingsniveau, een ervaringseis gold bij de functie verkoper groothandel.
- In hoger beroep heeft appellante zich – kort gezegd – gekeerd tegen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. 5.
- De Raad stelt naar aanleiding van het verhandelde ter zitting vast dat van de zijde van appellante is verkaard dat in hoger beroep alleen nog de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aan de orde is. 5.
- Wat betreft de signaleringen in de geduide functies heeft de Raad geen aanleiding gezien daarover anders te oordelen dan de rechtbank. Eekhoudt is in haar rapport van 8 mei 2009 nader ingegaan op de aspecten zitten, staan en lopen in verband met het rolstoelgebruik van appellante. Deze toelichting komt de Raad, gelet op de beperkte belasting in de geduide functies inzake staan en lopen, niet onjuist voor. Wat betreft het opleidingsniveau van appellante zijn in hoger beroep geen afzonderlijke gronden meer ingebracht. De Raad heeft geen aanleiding gezien hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen voor onjuist te houden. 5.
- Gelet op overweging 5.2 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september
- (get.) C.W.J. Schoor. (get.) M.A. van Amerongen. TM