09/1564 ANW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 februari 2009, 08/796 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). Datum uitspraak: 24 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is door mr. F.Y. Gans, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus
- Appellante is verschenen bij mr. R.W.C. Vranken, kantoorgenoot van mr. Gans, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma. II. OVERWEGINGEN 1.
- Aan appellante is door de Svb een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet toegekend. 1.
- Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellante herzien op basis van een nadere vaststelling van haar inkomen uit arbeid over de periode augustus 2006 tot en met juli
- Bij brief van eveneens 2 oktober 2007 is in verband daarmee de terugvordering aangekondigd van € 288,35 te veel betaalde uitkering. 1.
- Appellantes bezwaar tegen het herzieningsbesluit van 2 oktober 2007 is bij besluit van 17 april 2008 (hierna: besluit op bezwaar) door de Svb ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. 3.
- In hoger beroep heeft appellante, evenals in beroep, in hoofdzaak betoogd dat de Svb niet voldoende heeft toegelicht hoe appellantes bij de herzieningsbeslissing van 2 oktober 2007 vastgestelde recht op een nabestaandenuitkering over augustus 2006 tot en met juli 2007 precies berekend is. Gelet hierop acht appellante het niet zeker dat haar eerder te veel is toegekend en zelfs niet dat de herzieningsbeslissing van 2 oktober 2007 is aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3.
- De Raad is allereerst van oordeel dat de rechtbank er evenals de Svb terecht van is uitgegaan dat de herzieningsbeslissing van 2 oktober 2007 is gericht op rechtsgevolg en ook overigens de kenmerken heeft van een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verder onderschrijft de Raad de overwegingen inzake de onderbouwing van het besluit op bezwaar en de berekening van appellantes recht op een nabestaandenuitkering die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gebezigd en maakt hij deze tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt de Raad dat appellante ook in hoger beroep niets heeft aangevoerd op grond waarvan de Raad - binnen de grenzen van het geding - tot het oordeel kan komen dat de rechten van appellante bij het herzieningsbesluit van 2 oktober 2007 onjuist zijn vastgesteld of dat herziening met terugwerkende kracht kennelijk onredelijk te achten is. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zij te veel uitkering ontving. Het was haar immers bekend dat de haar toegekende nabestaandenuitkering afhankelijk is van de hoogte van haar inkomen uit arbeid, terwijl het appellante tevens duidelijk had kunnen zijn dat het inkomen uit arbeid waarvan de Svb bij de initiële toekenning is uitgegaan, lager was dan haar feitelijke inkomen uit arbeid. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van herziening is ook in hoger beroep niet gebleken.
- Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellante niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september
- (get.) M.M. van der Kade. (get.) R.L. Venneman. IvR