← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN8638

10/248 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 december 2009, 08/2279 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 24 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. Pieters, advocaat te Sneek, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij rapporten overgelegd van de bezwaararbeidsdeskundige J. Langius van 28 mei 2010 en de bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemer van 19 mei

  1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus
  2. Appellante is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.T. Wielinga. II. OVERWEGINGEN
  3. Appellante was tot 1 augustus 2005 werkzaam als voltijds verkoopster/bedrijfsleidster in een avondwinkel. Zij heeft zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet met ingang van 4 mei 2006 arbeidsongeschikt gemeld met psychische klachten.
  4. Appellante is op 25 maart 2008 in het kader van de beoordeling van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) onderzocht door de verzekeringsarts E.H. du Maine. In een rapport van dezelfde datum vermeldde Du Maine de door appellante gegeven informatie omtrent de problematische geboorte van haar dochter en de problematiek in de periode daarna. Dit rapport bevat voorts een weergave van het dagverhaal en van het psychisch onderzoek, waarbij Du Maine geen bijzonderheden ten aanzien van de cognitieve functies waarnam en waarbij er geen aanwijzingen waren voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Als diagnose stelde Du Maine een status na angststoornis na een traumatische bevalling. In verband met de nog gebruikte medicatie achtte Du Maine beperkingen aanwezig voor persoonlijk risico en een veelvuldig hoge werkdruk, die hij vastlegde in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding een verlies aan verdienvermogen berekend van 36,96%. Dienovereenkomstig stelde het Uwv bij besluit van 24 april 2008 vast dat appellante met ingang van 1 mei 2008 recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering. Voorts werd op 24 april 2008 de re-integratievisie vastgesteld, welke op 13 juni 2008 werd bijgesteld in die zin dat appellante tot september 2008 werd vrijgesteld van de sollicitatieverplichting. 3.
  5. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluitvorming op 24 april 2008 over de WGA-uitkering en de re-integratievisie. Appellante heeft nadien gewezen op de protocollen depressieve stoornis en angststoornissen. Voorts heeft appellante bezwaren ingebracht tegen de geduide functies en de (bijgestelde) re-integratievisie. Verder is informatie overgelegd van de GZ-psycholoog H.A. Klooster-Postma van 3 juli 2008, die aangaf dat bij appellante sprake is van een post traumatische stressstoornis (PTSS), dat de behandeling zal bestaan uit de traumaverwerking techniek EMDR en cognitieve therapie en dat de eerste sessie EMDR haar verruiming gaf. 3.
  6. Appellante is op 18 juli 2008 verschenen op het spreekuur van de in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts Zwemer. In een rapport van 18 augustus 2008 vermeldde Zwemer dat appellante, evenals bij het onderzoek van Du Maine, geen toestemming gaf om informatie te vragen bij haar behandelaars maar dat appellante aan Zwemer, anders dan aan Du Maine, uiteindelijk wel mondeling verdere informatie gaf, welke hij niet weergaf in het rapport, voor zover deze niet van belang was voor de herbeoordeling. Volgens Zwemer kwam de informatie van de behandelend psycholoog overeen met de gegevens van zijn onderzoek, hetgeen betekent dat niet wordt voldaan aan de diagnose depressie in engere zin maar dat wel sprake was van een PTSS. Verder vermeldde Zwemer dat appellante in verband met ziekte en vakantie van haar behandelaar één sessie EMDR therapie heeft gehad. Gezien de aard en de ernst van de PTSS bij appellante diende volgens Zwemer in de FML verdergaande beperkingen te worden aangenomen. Voor een urenbeperking en vrijstelling van re-integratieactiviteiten zag Zwemer evenwel geen grond. 3.
  7. De in rubriek I vermelde bezwaararbeidsdeskundige Langius liet in verband met de aangepaste FML in zijn rapport van 4 september 2008 een aantal functies vervallen en baseerde de schatting uiteindelijk op de functies elektromonteur (SBC-code 267010), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334). Langius lichtte de signaleringen in deze functies toe en berekende het verlies aan verdienvermogen op 39,94%. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 10 september 2008 het bezwaar van appellante tegen de re-integratievisie van 24 april 2008 gegrond en de bezwaren tegen de bijgestelde visie en de WGA-uitkering ongegrond. 4.
  8. In haar beroepschrift van 10 oktober 2008 stelde appellante beroep aan te tekenen tegen het besluit van 10 september 2008 (hierna: bestreden besluit), waarbij haar bezwaar tegen de toekenning van de WGA-uitkering ongegrond is verklaard. Volgens appellante heeft Zwemer in verband met de in navolging van haar behandelaar gestelde diagnose PTSS onvoldoende beperkingen gesteld. Zij gaf aan dat zij, gezien de ernst van de klachten en de impact van de therapie, op de datum in geding geen dan wel geen volledige arbeidsmogelijkheden had en daarom ook de geduide functies niet kon vervullen. Voorts legde appellante informatie van de GZ-psycholoog drs. S. Eijgelaar van 24 juni 2009 over die onder andere wees op de doorwerking van een EMDR therapie. 4.
  9. In een uitvoerige reactie concludeerde Zwemer dat het (aanvullend) beroepschrift met de informatie van Eijgelaar geen aanleiding gaf tot aanpassing van de FML.
  10. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. De rechtbank zag – onder verwijzing naar het onderzoek van Zwemer – geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de beperkingen neergelegd in de aangepaste FML. Voorts zag de rechtbank geen aanleiding voor een urenbeperking in verband met de door appellante gevolgde EMDR therapie en zag zij, anders dan namens appellante ter zitting was bepleit, in verband met de frequentie van deze therapie (1x per 2 weken 45 minuten) een vergelijking met de situatie aan de orde in de uitspraak van de Raad van 24 november 2006 (LJN AZ4398) niet opgaan.
  11. In haar hoger beroepschrift heeft appellante aangegeven dat het hoger beroep in essentie er op neer komt dat zij het niet eens is met de afwijzing van haar aanvraag om een WIA-uitkering (de Raad neemt aan dat appellante bedoelt de toekenning van de WGA-uitkering). In het aanvullend beroepschrift heeft zij gesteld dat, nu Du Maine niet heeft gehandeld volgens het protocol angststoornissen, ook de vervolgonderzoeken onzorgvuldig dan wel onvolledig zijn en dat onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld. Voorts heeft zij haar eerdere beroep op een urenbeperking om reden van de EMDR therapie herhaald. In verband met een ander en haar vertraagd reactievermogen acht appellante zich ook niet in staat tot vervulling van de geduide functies. 7.
  12. De Raad leidt uit het hoger beroep van appellante af dat dit alleen is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit, voorzover daarbij is gehandhaafd het besluit van 24 april 2008 inzake de aan haar toegekende WGA-uitkering. In hoger beroep is niet opgekomen tegen het feit dat de rechtbank niet heeft geoordeeld over de aanvankelijk in beroep niet genoemde en eerst ter zitting van de rechtbank voorgebrachte gronden tegen de bijgestelde re-integratievisie. De Raad zal zich dan ook beperken tot het punt van geschil. 7.
  13. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Wat betreft de gronden van appellante tegen het onderzoek van Du Maine merkt de Raad op, dat, voorzover al in verband met de beperkte mededeelzaamheid van appellante zou moeten worden aangenomen dat dit onderzoek onzorgvuldig is geweest, moet worden geoordeeld dat dit met het onderzoek van Zwemer in de bezwaarprocedure is hersteld. Dat Zwemer mogelijk niet alle stappen van het protocol angststoornissen heeft gevolgd, maakt zijn onderzoek nog niet onzorgvuldig. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 16 september 2009 (LJN BJ7873) en op de toelichting die Zwemer in zijn rapport van 18 augustus 2008 heeft gegeven voor de reden waarom niet alle bij zijn onderzoek door appellante uiteindelijk verstrekte gegevens zijn vermeld. Wat betreft de ook in eerste aanleg ter sprake gekomen en in overweging 5.1 vermelde uitspraak van de Raad van 24 november 2006 merkt de Raad op dat weliswaar in de bezwaarprocedure naar voren kwam dat appellante EMDR therapie ging volgen maar dat ter hoorzitting bleek dat die therapie, afgezien van één sessie op 30 mei 2008, in elk geval niet eerder dan na 18 juli 2008 van de grond is kunnen komen. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook in verband met het aanvankelijke beloop van die therapie, over welke datum van voortzetting appellante verder overigens geen informatie heeft verschaft, niet worden gesteld dat op de datum in geding al een urenbeperking was aangewezen. 7.
  14. Uitgaande van de juistheid van de door Zwemer aangepaste FML heeft de Raad ook geen aanknopingspunten de door Langius uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante medisch niet geschikt te achten. Wat betreft de door appellante gestelde vertraagde reactiesnelheid merkt de Raad – onder verwijzing naar het rapport van Langius van 28 mei 2010 – op dat dit is vermeld in een toelichting bij het onderdeel 1.9.9 van de (aangepaste) FML dat inhoudt dat appellante is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico, maar dat geen beperking is gesteld ten aanzien van een hoog handelingstempo. 7.
  15. De overwegingen 7.1 tot en met 7.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  16. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september
  17. (get.) C.W.J. Schoor. (get.) M.A. van Amerongen. NW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.