← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN8686

09/1462 WWB 09/1489 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 januari 2009, 07/4165 en 08/1099 (hierna: aangevallen uitspraak), in de gedingen tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College) Datum uitspraak: 21 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni

  1. Voor appellant is verschenen mr. Hest. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant heeft van 9 november 2005 tot 8 november 2007 bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Naar aanleiding van een ziekmelding van appellant van 8 mei 2006 heeft het College hem bij besluit van 7 november 2006 aangemeld voor een arbeidsgeschiktheidsonderzoek bij Aob Compaz en, in afwachting van de uitkomst van dat onderzoek, de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de WWB onverminderd op appellant van toepassing geacht. Appellant heeft op 13 december 2006 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.
  4. Op 16 februari 2007 heeft Aob Compaz advies uitgebracht aan het College. Naar aanleiding daarvan heeft het College appellant bij besluit van 15 maart 2007 aangemeld bij Rework om hem te ondersteunen bij het vinden van een betaalde baan. Tegen dit besluit heeft appellant op 22 maart 2007 bezwaar gemaakt. 1.
  5. Het College heeft aan appellant bij besluiten van 16 mei 2007, 9 augustus 2007 en 16 augustus 2007 bij wijze van sanctie de bijstand verlaagd met respectievelijk 25%, 50% en 100% gedurende een maand, omdat hij niet heeft deelgenomen aan het werkdeel van het re-integratietraject. Appellant heeft ook tegen deze besluiten bezwaarschriften ingediend. 1.
  6. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 november 2006 deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard. 1.
  7. Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2007 ongegrond verklaard, de bezwaren tegen de besluiten van 16 mei 2007, 9 augustus 2007 en 16 augustus 2007 gegrond verklaard, die besluiten herroepen en de in de bezwaarfase gemaakte kosten aan rechtsbijstand vergoed. Voorts is besloten om met toepassing van artikel 60, derde lid, van de WWB en artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de ten onrechte niet verstrekte uitkering, vermeerderd met de wettelijke rente, ten bedrage van € 1.524,95 te verrekenen met een drietal vorderingen van het College op appellant van totaal € 8.993,13, zodat appellant nog een bedrag van € 7.468,18 aan het College dient terug te betalen.
  8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2007 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 19 februari 2008 niet-ontvankelijk verklaard voor zover het de aanmelding van appellant bij Rework betrof, dat beroep voor het overige ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Over de verzoeken om schadevergoeding wegens bestuurlijke traagheid heeft de rechtbank overwogen dat de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) genoemde redelijke termijn niet is overschreden. De ongegrondverklaring voor het overige van het beroep tegen het besluit van 19 februari 2008 ziet op de verrekening van de vorderingen. Naar het oordeel van de rechtbank was het College bevoegd om de alsnog aan appellant toekomende bijstand te verrekenen met de openstaande bijstandsvordering op appellant en heeft het College in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken, nu hij er vanuit mocht gaan dat appellant over een inkomen boven de beslagvrije voet kon beschikken. Dat nog niet is beslist op het hoger beroep tegen de bijstandsvordering op appellant kan hieraan niet afdoen, aangezien het instellen van hoger beroep geen schorsende werking heeft.
  9. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de verzoeken om schadevergoeding zijn afgewezen en voor zover het beroep tegen het besluit van 19 februari 2008 tegen de verrekening van de vorderingen ongegrond is verklaard. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant de grief tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in de zaak 09/1489 WWB laten vallen.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  11. Ten aanzien van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de bestuurlijke fase, overweegt de Raad het volgende. 4.1.
  12. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt. 4.1.
  13. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 30 juni 2009 (LJN BJ2790) heeft overwogen dient in een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, de rechtbank daarover een oordeel te geven, uitgaande van de behandelingsduur voor bezwaar - ten hoogste een half jaar - en beroep - ten hoogste anderhalf jaar - zoals genoemd in de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Hieruit volgt dat de nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel in bezwaar en beroep in beginsel twee jaar bedraagt. 4.1.
  14. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. De redelijke termijn vangt aan met de ontvangst door het College op 13 december 2006 van het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 7 november
  15. Vanaf 13 december 2006 tot de datum van de aangevallen uitspraak, 21 januari 2009, zijn twee jaar en ruim één maand verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het College ruim tien maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 11 december 2007 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling door de rechtbank één jaar en ruim één maand geduurd. Nu er in de feiten en omstandigheden van het geval geen aanleiding is de redelijke termijn voor de procedure als geheel ten tijde van de aangevallen uitspraak op meer dan twee jaar te stellen, had de rechtbank aan een en ander de gevolgtrekking moeten verbinden dat ten tijde van de aangevallen uitspraak de redelijke termijn was geschonden door het bestuursorgaan. 4.1.
  16. Nu niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, leidt dit tot de conclusie dat de rechtbank het College had moeten veroordelen tot vergoeding van schade ter hoogte van € 500,--. De rechtbank had daartoe het besluit van 23 oktober 2007 moeten vernietigen, terwijl er aanleiding was de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad alsnog zo beslissen. 4.1.
  17. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 12 maart 2009 van het hoger beroepschrift nog geen twee jaar geduurd, zodat geen sprake is van een te lange behandelingsduur door de Raad. 4.
  18. Ten aanzien van de verrekening van de vorderingen overweegt de Raad als volgt. 4.2.
  19. De Raad stelt voorop dat het besluit om de schuld van het College aan appellant in verband met de herroepen sancties ten bedrage van totaal € 1.524,95 niet uit te betalen maar te verrekenen met een drietal vorderingen van het College op appellant als resultaat van heroverweging moet worden beschouwd en derhalve terecht door de rechtbank in de beoordeling is betrokken. 4.2.
  20. Naar het oordeel van de Raad was het College met overeenkomstige toepassing van artikel 6:127, tweede lid, van het BW bevoegd tot verrekening van de nog openstaande schuld van appellant aan het College met het bedrag van de nabetaling in verband met de herroeping van de sancties. Hij verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 10 april 2007 (LJN BA3024). Dat de vorderingen van het College op appellant ten tijde van de verrekening nog niet in rechte vast stonden - wat sinds de uitspraak van de Raad van 7 april 2009 (LJN BI1795) overigens wel het geval is - doet daaraan niet af, nu een besluit tot terugvordering van kosten van bijstand op grond van artikel 60, derde lid, van de WWB een executoriale titel oplevert en hoger beroep ten aanzien van een door de rechtbank in stand gelaten terugvorderingsbesluit geen schorsende werking heeft. 4.2.
  21. Appellant betwist de verrekeningsbevoegdheid van het College ook niet, maar heeft onder verwijzing naar artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht betoogd dat het College ten onrechte zonder nader onderzoek er van uit is gegaan dat appellant ten tijde van de verrekening beschikte over een inkomen boven de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Raad overweegt hierover dat het op de weg van appellant ligt om aannemelijk te maken dat zijn inkomen als gevolg van de verrekening van de nabetaling lager is geworden dan de beslagvrije voet. Daarin is hij niet geslaagd. 4.2.
  22. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de verrekening van de vorderingen, niet slaagt.
  23. De Raad ziet, gelet op het onder 4.1 tot en met 4.1.5 overwogene, aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding in de zaak 07/4165 is afgewezen; Vernietigt het besluit van 23 oktober 2007; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven; Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige; Veroordeelt het College tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 500,--; Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het College aan appellant het betaalde griffierecht van € 146,-- dient te vergoeden; Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september
  24. (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) C. de Blaeij. IJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.