P R O C E S - V E R B A A L van de mondelinge uitspraak van de CENTRALE RAAD VAN BEROEP meervoudige kamer Datum: 22 september 2010 Aanvang: 10.00 uur Zitting hebben: mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mrs. B.M. van Dun en M. Greebe als leden. Griffier: M. Mostert. __________________________________________________________________________ 1e zaak, reg.nr.: 09/6560 WAO [verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker), niet verschenen, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), vertegenwoordigd door mr. H. van Wijngaarden. I. PROCESVERLOOP Namens verzoeker heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 november 2009, 08/6067 WAO. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. II. OVERWEGINGEN
- De uitspraak waarvan herziening is verzocht, ziet op de herziening van de aan verzoeker toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% met ingang van 23 juli
- Verzoeker is van mening dat zijn aanspraken bij de uitspraak waarvan herziening is verzocht niet naar behoren zijn erkend. Verzoeker stelt zich daartoe, onder verwijzing naar een bij haar aanvullend beroepschrift overgelegd stuk van Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans van 6 januari 2010, op het standpunt dat de onderzoeken door de verzekeringsartsen van het Uwv niet volledig zijn geweest en dat de resultaten van die onderzoeken onjuist zijn. Dit heeft ertoe geleid dat er onvoldoende medische informatie over verzoekers gezondheidstoestand in de relevante periode aanwezig is. De rechterlijke toetsing van het desbetreffende besluit is volgens verzoeker eveneens ondeugdelijk geweest evenals de beslissing daarover van de Raad. De Raad heeft volgens verzoeker voorts ten onrechte nagelaten een medisch deskundige te benoemen om de Raad van advies te dienen. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat hij - ten gevolge van de ondeugdelijke medische onderzoeken - onvoldoende in staat is gesteld de wettelijke bevoegdheden uit te oefenen die ter borging dienen van zijn rechtspositie, daaronder ook begrepen de bevoegdheden die besloten liggen in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- Het oordeel van de Raad. 3.
- In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gelegen als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. 3.
- Voor zover verzoeker betoogt dat de beslissing vervat in de uitspraak van de Raad van 27 november 2009 onjuist is, oordeelt de Raad dat, zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2003 (LJN AN7982), het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. 3.
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Wijst het verzoek om herziening af. Waarvan proces-verbaal. Utrecht, 22 september 2010 (get.) T. Hoogenboom. (get.) M. Mostert. TM