← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN8691

09/5236 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juli 2009, 08/3807 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. F. Wubbena, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus

  1. Namens appellante is mr. S. Lammers, kantoorgenote van mr. Wubbena, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werknemer] jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA. 1.
  3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J. Kalthof van 24 juni 2008, ongegrond verklaard.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat het Uwv artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. De rechtbank heeft evenwel bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat appellante in de te beoordelen periode concrete activiteiten in het tweede spoor heeft ondernomen. Mitsdien heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op de ontwikkelingen in en na juli 2007, het standpunt van het Uwv, dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht op een toereikende grondslag berust en dat niet is gebleken dat appellante een deugdelijke grond had voor dit verzuim. 3.
  5. In hoger beroep is door appellante, onder verwijzing naar de gronden die zij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, - kort weergegeven - gesteld dat zij aan alle wettelijke re-integratie-inspanningen heeft voldaan en dat haar ten onrechte een loonsanctie is opgelegd. In dat verband heeft zij aangevoerd dat zij adequaat heeft gehandeld ter zake het door haar op 10 juli 2007 aangevraagde deskundigenoordeel en dat zij ook tijdig het tweede spoor heeft ingezet. Voorts heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij mocht afgaan op het deskundig en medisch oordeel van haar eigen bedrijfsarts en dat er geen reden was om aan dat advies te twijfelen. 3.
  6. In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat de door appellante ingeschakelde bedrijfsarts reeds op 26 juli 2007 op de hoogte was van de visie van het Uwv omtrent de re-integratie-inspanningen (met als oordeel: onvoldoende) en dat reeds op 1 augustus 2007 is geadviseerd om een arbeidskundig onderzoek te laten starten en eventueel het tweede spoor. Volgens het Uwv is ten onrechte gewacht op informatie van de neurochirirg en is daarmee al bij al een klein jaar verloren gegaan. Het Uwv heeft dan ook verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4.
  7. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 4.
  8. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. 4.
  9. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de arbeidsdeskundige van 19 december 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 24 juni
  10. In navolging van de bevindingen van de arbeidsdeskundige heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat het behaalde re-integratieresultaat onvoldoende is, dat de arbeidsdeskundige terecht heeft vastgesteld dat de werkgever verantwoordelijk is voor de tekortkomingen in haar re-integratie-inspanningen en dat de arbeidsdeskundige terecht heeft vastgesteld dat de werkgever desgevraagd geen deugdelijke grond blijkt te hebben voor de tekortkoming in de aanpak van de re-integratie van haar werknemer. In dat verband heeft hij aangegeven dat appellante zelf heeft verkozen het deskundigenoordeel van de verzekeringsarts van 27 juli 2007 niet te volgen en de werknemer pas in januari 2008 aan te melden voor re-integratie in het tweede spoor. Het lange wachten op informatie van de behandelend arts is de keuze van de werkgever en wordt niet aangemerkt als een deugdelijke grond voor het feit dat door appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. 4.
  11. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens voldoende steun bieden voor de het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht. In dit verband wijst de Raad met name op de rapportage van de verzekeringsarts G. Hoogsteen van 27 juli 2007, die in het kader van de aanvraag om een deskundigenoordeel is uitgebracht. Daarin is aangegeven dat de werknemer chronische rugklachten heeft die beperkingen geven en dat de beperkingen op lange termijn waarschijnlijk niet veel meer zullen veranderen, maar dat de werknemer met inachtneming van die beperkingen benutbare mogelijkheden heeft. Blijkens de brief van de bedrijfsarts van 14 februari 2008 is hij er door de verzekeringsarts reeds op 26 juli 2007 telefonisch van op de hoogte gesteld dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, waarna de bedrijfsarts reeds op 1 augustus 2007 aan appellante heeft geadviseerd arbeidsdeskundig onderzoek te laten verrichten en eventueel het tweede spoor op te starten. Appellante heeft evenwel pas na ontvangst van medische informatie van de neurochirurg op 23 november 2007 aan de arbodienst gevraagd een arbeidskundig onderzoek in te stellen, waarvan op 7 december 2007 rapport is uitgebracht. Vervolgens heeft eerst in januari 2008 aanmelding bij een re-integratiebureau plaatsgevonden. Uit deze gegevens heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht afgeleid dat er onvoldoende perspectief bestond voor werkhervatting van werknemer bij appellante en dat zij haar re-integratie-inspanningen eerder had moeten richten op het tweede spoor. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in het kader van werkhervatting in het tweede spoor onvoldoende zijn geweest. De Raad onderschrijft eveneens het standpunt van het Uwv dat appellante voor haar tekortkomingen geen deugdelijke grond heeft gehad. 4.
  12. Met betrekking tot de door appellante aangevoerde grond dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellante is gelegen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. 4.
  13. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
  14. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september
  15. (get.) Ch. van Voorst. (get.) R.L. Rijnen. NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.