09/6674 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2009, 08/1121 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 29 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. A.C. Lagemaat, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic. Voor betrokkene is verschenen mr. Lagemaat, bijgestaan door [naam directeur], directeur van betrokkene. II. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 27 augustus 2007 heeft appellant het tijdvak van 104 weken waarin [naam werknemer] jegens betrokkene recht heeft op loon tijdens ziekte (hierna: de wachttijd) met 52 weken verlengd. Appellant heeft deze verlenging (ook wel kortweg loonsanctie genoemd) opgelegd, omdat betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
- Bij besluit van 26 februari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het tegen het besluit van 27 augustus 2007 ingediende bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar van 28 januari 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers van 23 februari
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, met toekenning van vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de werkgever van het medisch oordeel van de bedrijfsarts mag uitgaan, tenzij er gronden zijn om te twijfelen aan de juistheid of de consistentie van dat advies. Volgens de rechtbank is nergens uit gebleken dat betrokkene had moeten twijfelen aan de juistheid en consistentie van de adviezen van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant ten onrechte heeft geconcludeerd dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.
- In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank betwist. Onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, W.M. Koek van 1 december 2009, heeft appellant het standpunt ingenomen dat zich voor betrokkene wel degelijk omstandigheden hebben voorgedaan om te twijfelen aan het advies van haar bedrijfsarts en er voor haar voldoende momenten zijn geweest voor initiatieven om de werknemer te laten re-integreren in aangepast werk. Inzake de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de werkgever voor het doen en laten van de door hem ingeschakelde arbodienst, waaronder de advisering met betrekking tot de re-integratie van een werknemer door de bedrijfsarts, heeft appellant verwezen naar twee uitspraken van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3704 en LJN BK
- Betrokkene heeft - samengevat weergegeven - verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daartoe is naar voren gebracht dat zij, op grond van het door de bedrijfsarts verrichte medisch onderzoek, tot maart 2007 van oordeel was dat hervatting van werkzaamheden door werknemer niet mogelijk was en dat ook van het verrichten van “niet stresserende eenvoudige werkzaamheden” of andere werkzaamheden beneden het niveau van de eigen functie geen sprake kon zijn. Voor gedaagde waren er dus vóór maart 2007 geen momenten voor initiatieven om werknemer te laten re-integreren in aangepast werk.
- Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of appellant terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. De Raad overweegt als volgt. 6.
- Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de verzekeringsarts van 11 juli 2007, van de arbeidsdeskundige van 13 juli 2007, van de bezwaarverzekeringsarts van 28 januari 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 februari
- De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van betrokkene als onvoldoende zijn te kwalificeren, omdat geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden van werknemer en dat bovendien het re-integratieresultaat van zes uur per week te mager is. Daarnaast heeft betrokkene niet onderzocht of en op welke wijze de belastbaarheid van de werknemer optimaal benut zou kunnen worden. Het inroepen van een re-integratiebedrijf voor advies met betrekking tot het tweede spoor was hier op zijn plaats zijn geweest. De arbeidsdeskundige heeft geconstateerd dat voor dat verzuim geen deugdelijke grond aanwezig was. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat bij werknemer geen sprake was van een ernstige depressie (werknemer is geweigerd voor de onderzoeksgroep voor depressie in het AMC vanwege afwezigheid van ernstige depressieve verschijnselen) en dat de door de arbodienst geadviseerde behandeling van de psycholoog weinig effect heeft gehad. Ondanks dat de psycholoog heeft aangegeven niet in staat te zijn om de blokkade bij werknemer te doorbreken, is de behandeling voortgezet zonder dat effect werd gerealiseerd. Voorts blijkt dat reeds medio juni 2006 de re-integratie bij de eigen werkgever ter sprake is gekomen. Bovendien blijkt uit het dossier van de bedrijfsarts niet dat een contra-indicatie voor re-integratieactiviteiten aanwezig was. Gelet op de aard van de werkzaamheden en vanwege het afbreukrisico was passend werk bij de werkgever niet aanwezig, terwijl werknemer volgens de bezwaarverzekeringsarts op dat moment, zo niet eerder, in staat was om niet stresserende eenvoudige werkzaamheden te verrichten. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige geen aanleiding gezien om af te wijken van het oordeel van de arbeidsdeskundige, waarbij is aangegeven dat betrokkene verantwoordelijk blijft voor de door haar ingeschakelde deskundigen. Een deugdelijke grond voor de stagnatie bij het inzetten van het tweede spoor heeft ook hij niet aanwezig geacht. 6.
- De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De Raad onderschrijft in dit verband het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 1 december
- Ook naar het oordeel van de Raad zijn er tijdens de wachttijd momenten aan te wijzen waarop betrokkene adequaat had moeten reageren op de adviezen van de bedrijfsarts. In dit verband heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht gewezen op de brief van de bedrijfsarts van 18 oktober 2006, waarin een suggestie voor het zoeken naar aangepaste werkzaamheden is te lezen. Bij brief van 9 januari 2007 heeft de bedrijfsarts betrokkene verder geadviseerd om - gelet op het tijdverloop en het uitblijven van reële werkhervatting - een second opinion aan te vragen bij appellant om een beoordeling te krijgen over de re-integratie-inspanningen. Niet is gebleken dat betrokkene gevolg heeft gegeven aan deze adviezen van haar bedrijfsarts. 6.
- Met betrekking tot het standpunt van betrokkene dat zij niet verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen in de adviezen van haar bedrijfsarts, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat appellant er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij de werkgever is gelegen. In hetgeen betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. 6.
- Uit hetgeen hierboven is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat appellant op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) R.L. Rijnen. EK