← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN8767

09/2108 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 maart 2009, 07/5177 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S.M.J. Heeren, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus

  1. Namens appellante is mr. S. Lammers, kantoorgenote van mr. Heeren, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 25 mei 2007 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werkneemster] jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA. 1.
  3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige W.A.M.H. Heijmans van 25 september 2007, ongegrond verklaard.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante, toen zij twee maanden na 29 juni 2006 geen werk in het eigen bedrijf kon aanbieden, re-integratie-activiteiten had moeten opstarten naar werk bij een andere werkgever, vooral nu de arbeidsdeskundige M. Brans in het rapport van 29 juni 2006 enkele functies heeft genoemd die werkneemster bij een andere werkgever zou kunnen vervullen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat, toen ruim een jaar en twee maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid nog geen concreet zicht bestond op een aanbod van een passende functie bij appellante, nadere oriëntatie op de arbeidsmarkt, zoals door de door appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige Brans geadviseerd, geboden was. Dit klemt te meer nu ook in het actueel oordeel bij de probleemanalyse van 19 februari 2007 is vastgesteld dat er bij appellante geen passende arbeid voor werkneemster aanwezig was. Ook toen is appellante niet gestart met het tweede spoor. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat zij daarvoor geen deugdelijke grond heeft. 3.
  5. In hoger beroep is door appellante, onder verwijzing naar de gronden die zij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, - kort weergegeven - gesteld dat het bestreden besluit met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige onvoldoende is gemotiveerd, Gelet op de geschetste gang van zaken stelt zij zich op het standpunt dat zij aan haar re-integratieverplichtingen op juiste en zorgvuldige wijze heeft voldaan en dat zij zich steeds alle inspanningen heeft getroost, waarvan het haar bekend was dat zij deze moest ondernemen. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat al de onderliggende feiten en omstandigheden - waaronder met name de ontstane vertraging ter zake de verhuizing - een deugdelijke rechtvaardiging opleveren voor het eventuele verzuim, waardoor de loonsanctie ten onrechte is opgelegd. 3.
  6. In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat door appellante het advies van de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige en bedrijfsarts om een deskundigenoordeel te vragen dan wel het tweede spoor in te zetten niet is opgevolgd, terwijl er geen duidelijkheid was over de mogelijkheden van werkneemster binnen het eigen bedrijf van appellante. Het Uwv heeft dan ook verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4.
  7. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 4.
  8. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. 4.
  9. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de arbeidsdeskundige van 24 mei 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 september
  10. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage aangegeven dat tot het arbeidskundig onderzoek van 29 juni 2006 door de appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige Brans nog voldoende re-integratie-inspanningen werden verricht, maar dat daarna niets meer is gebeurd. In feite had na twee maanden (in verband met een geplande verhuizing van het bedrijf van de werkgever) een uitspraak moeten worden gedaan over het wel of niet aanwezig zijn van passend werk bij de eigen werkgever. Zo nodig had toen de re-integratie in het tweede spoor moeten worden ingezet. Pas bij het actueel oordeel van 19 februari 2007 wordt duidelijk dat er geen werk bij de eigen werkgever is en dat er geen tweede spoor werd ingezet. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de activiteiten/interventies van de werkgever niet adequaat waren en dat daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was. In navolging van de bevindingen van de arbeidsdeskundige heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat de in bezwaar naar voren gebrachte gegevens niet tot een andere beslissing inzake de loondoorbetalingsverplichting leiden. 4.
  11. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht. In dit verband wijst de Raad met name op de rapportage van 29 juni 2006 van de door appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige Brans. Daarin is aangegeven dat werkneemster niet geschikt is te achten voor het eigen werk en dat er op basis van de toen geldende bezetting en omvang geen ander passend werk binnen het bedrijf van appellante aanwezig was. In verband met een geplande verhuizing van het bedrijf zou binnen twee maanden duidelijk worden wat de re-integratiemogelijkheden van werkneemster bij de eigen werkgever waren. Mocht werkneemster kunnen hervatten in passend werk, waarbij de hervatting in uren en loonwaarde beneden de 65% ligt ten opzichte van de oorspronkelijke loonwaarde, heeft de arbeidsdeskundige de werkgever geadviseerd via een deskundigenoordeel bij het Uwv te laten checken of er voldoende re-integratie-inspanningen zijn geleverd. Zo niet, dan zijn aanvullende maatregelen wellicht noodzakelijk (bijvoorbeeld een traject bemiddeling naar ander werk). 4.
  12. In de bijstelling van het plan van aanpak van 5 juli 2006 is aangegeven dat werkneemster op dat moment teveel beperkingen heeft om te hervatten in eigen of ander werk, maar dat mogelijk na verhuizing van de werkgever (verwacht op korte termijn) een passende functie gecreëerd kan worden voor een aantal uren per week. Daarbij is vastgelegd dat, indien dit langer gaat duren dan verwacht, een deskundigenoordeel bij het Uwv aangevraagd zal worden over de re-integratie-inspanningen van de werkgever. 4.
  13. De Raad stelt vast dat binnen twee maanden na de rapportage van 29 juni 2006 geen zicht bestond op hervatting in ander werk bij appellante, terwijl appellante evenmin een deskundigenoordeel heeft gevraagd of een tweede spoor heeft opgestart. In het actueel oordeel van 19 februari 2007 is wederom aangegeven dat er op korte termijn geen zicht is op een passende functie bij de eigen werkgever. Ook toen zijn re-integratie-inspanningen van de werkgever in het tweede spoor uitgebleven. Uit deze gegevens heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht afgeleid dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat zij zich eerder had moeten richten op het tweede spoor. 4.
  14. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in het kader van werkhervatting in het tweede spoor onvoldoende zijn geweest. De Raad onderschrijft eveneens het standpunt van het Uwv dat appellante voor haar tekortkomingen geen deugdelijke grond heeft gehad. Het door appellante overgelegde trajectplan van 12 september 2007 inzake het opstarten van het tweede spoor en de voortgangsrapportage van 19 november 2007 van het door appellante ingeschakelde re-integratiebedrijf zijn opgesteld na het einde van de wachttijd en hebben dus geen betrekking op de door het Uwv te beoordelen periode. Deze gegevens kunnen de Raad dan ook niet tot een ander oordeel leiden. 4.
  15. Met betrekking tot de door appellante aangevoerde grond dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellante is gelegen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. 4.
  16. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.8 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  17. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september
  18. (get.) Ch. van Voorst. (get.) R.L. Rijnen. NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.