← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN8768

09/4433 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 juni 2009, 07/7244 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V., gevestigd te Schiphol (hierna: betrokkene). en appellant Datum uitspraak: 29 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. A.J.G. Tazelaar, advocaat te Amstelveen, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus

  1. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Tazelaar. Tevens zijn voor betrokkene als medegemachtigden verschenen M. Veerman en K. van Leeuwen, jobcoach. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. [naam werkneemster], was laatstelijk werkzaam bij betrokkene als [naam functie] voor twintig uur per week en heeft zich op 28 februari 2005 ziek gemeld met rugklachten. 1.
  3. Bij besluit van 14 februari 2007 heeft appellant het tijdvak waarin de werkneemster jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken, en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende zijn geweest. Voor dit verzuim ontbreekt volgens appellant een deugdelijke grond. Appellant heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA. 1.
  4. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 september 2007 (bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.
  5. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 14 februari 2007 herroepen. De rechtbank heeft geoordeeld dat een werkgever ter zake van haar re-integratieverplichtingen in beginsel mag afgaan op het deskundig en medisch oordeel van de door haar ingeschakelde arbodienst, tenzij de werkgever op grond van concrete aanwijzingen gegronde redenen heeft om te twijfelen aan het oordeel van de arbodienst. In de omstandigheden van dit geval waren er naar het oordeel van de rechtbank voor betrokkene geen concrete aanwijzingen voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de bedrijfsarts dat de werkneemster niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikte. Evenmin waren er naar het oordeel van de rechtbank voor betrokkene aanknopingspunten voor het vragen bij appellant om een deskundigen-oordeel. Uitgaande van het oordeel van de bedrijfsarts dat de werkneemster niet belastbaar was voor arbeid, was er geen grond voor het oordeel dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De rechtbank was voorts van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid nu de verzekeringsarts, gelet op het feit dat de bedrijfsarts ten aanzien van de arbeidsmogelijkheden van de werkneemster tot een afwijkend oordeel over de arbeidsmogelijkheden is gekomen, heeft nagelaten bij de bedrijfsarts te informeren naar de motivering van dit oordeel.
  6. In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat de re-integratie in de eerste plaats en bovenal de verantwoordelijkheid van de werkgever (en de werknemer) is. De werkgever kan zich laten bijstaan door een arbodienst/bedrijfsarts, maar dat doet niet af aan zijn wettelijke verantwoordelijkheid. In geval van inadequaat handelen van de arbodienst of de bedrijfsarts kan hij hen op hun falen aanspreken. Appellant herhaalt voorts zijn standpunt dat op de datum van het actueel oordeel van 18 oktober 2006 geen sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en dat betrokkene in ieder geval vanaf deze datum is tekortgeschoten in haar re-integratie-spanningen in het eerste dan wel het tweede spoor en dat betrokkene geen deugdelijke grond heeft voor dit verzuim. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat overleg met de bedrijfsarts over de belastbaarheid geen toegevoegde waarde had.
  7. Betrokkene is - samengevat weergegeven - van mening dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. 5.
  8. De Raad overweegt als volgt. 5.
  9. De Raad is met appellant van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie-inspanningen bij betrokkene als werkgever ligt. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK
  10. De Raad ziet in hetgeen door betrokkene is aangevoerd geen reden daarover thans anders te oordelen. 5.
  11. De Raad overweegt voorts dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. 5.
  12. In zijn brief van 11 juli 2007 gericht aan appellant heeft de bedrijfsarts P. Scholten - nader - aangegeven dat er op de datum van het actueel oordeel van 18 oktober 2006 bij de werkneemster gelet op de door hem aangegeven beperkingen op dat moment geen sprake was van benutbare mogelijkheden; gedurende de resterende wachttijd voor de WIA zag de bedrijfsarts daarom geen re-integratiemogelijkheden. De verzekeringsarts heeft de werkneemster op 8 januari 2007 tijdens het spreekuur gezien en lichamelijk onderzocht. Tevens heeft de verzekeringsarts kennis genomen van de uitslag van de MRI scan van 5 september
  13. De verzekeringsarts heeft op basis hiervan in haar rapportage van 8 januari 2007 aangegeven dat de situatie van de werkneemster op die datum niet anders was dan op 18 oktober 2006 en de werkneemster gelet op haar beperkingen, neergelegd in de FML van 8 januari 2007, belastbaar geacht voor rugsparende arbeid gedurende vier uur per dag, twintig uur per week. In de rapportage van 14 september 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts deze conclusie - na kennisneming van informatie uit de behandelende sector - bevestigd. De bezwaarverzekeringsarts was daarbij van mening dat er nauwelijks verschil was tussen de door de verzekeringsarts en bedrijfsarts vastgestelde beperkingen in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen, echter de bedrijfsarts heeft het aantal uren oningevuld gelaten. De bezwaarverzekeringsarts was van mening dat de verzekeringsarts terecht heeft aangenomen dat er geen sprake is van de uitzonderingssituatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en dat betrokkene gelet op de aard van de klachten en de onderzoeksbevindingen over benutbare mogelijkheden beschikte. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij aangegeven dat naast de ruime fysieke beperkingen, waarbij iedere forse rugbelasting is uitgesloten, de verzekeringsarts op grond van de aanwezigheid van pijnklachten en anamnestisch gebrek aan slaap ingevolge de Standaard Verminderde arbeidsduur een urenbeperking heeft aangenomen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts heeft de bedrijfsarts, gelet op de afwijkingen en beperkingen op de datum actueel oordeel op onjuiste medische gronden aangenomen dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden. 5.
  14. De Raad heeft geen aanleiding om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat er op datum actueel oordeel sprake was van benutbare mogelijkheden in twijfel te trekken. De Raad onderschrijft in dit verband het standpunt van appellant dat overleg met de bedrijfsarts geen toegevoegde waarde had, temeer daar de door de bedrijfsarts aangegeven beperkingen in grote lijnen overeenstemmen met de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen. Gelet hierop heeft appellant terecht het standpunt ingenomen dat er re-integratie-inspanningen verricht hadden moeten worden. Hiervan is geen sprake geweest. De Raad is met appellant tot de conclusie genomen dat betrokkene voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad. Appellant is mitsdien op goede gronden overgegaan tot het opleggen van een loonsanctie. 6.
  15. Uit hetgeen hiervoor onder 5.2 tot en met 5.5 is overwogen volgt dat de Raad - anders dan de rechtbank - van oordeel is dat het bestreden besluit waarbij de opgelegde loonsanctie is gehandhaafd in rechte stand kan houden. 6.
  16. Het hoger beroep slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep ongegrond.
  17. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op.29 september
  18. (get.) Ch. van Voorst. (get.) R.L. Rijnen. NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.