09/6930 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 december 2009, 08/2349 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus
- Appellante is -met bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms. II. OVERWEGINGEN 1.
- Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.
- Bij besluit van 19 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank ‘s- Hertogenbosch van 14 april 2006, een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit van 29 september 2004 genomen en appellantes bezwaar wederom ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en hiertoe onder meer het volgende overwogen waarbij appellante als eiseres en het Uwv als verweerder is aangemerkt: “In de uitspraak van 14 april 2006 (AWB 05/2276) heeft de rechtbank het bestreden besluit op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) vernietigd, vanwege het ontbreken van een deugdelijke arbeidskundige motivering. Verweerder diende het nieuw te nemen besluit alsnog te voorzien van een dergelijke motivering. In de arbeidskundige rapportage die ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van 19 juni 2008 heeft de bezwaararbeidsdeskundige alsnog een aanvullende motivering gegeven. De rechtbank constateert dat de signalering bij rubriek 5.7.0 (bovenschouder actief zijn) bij de functie elektronica-monteur (SBC-code 267040) door de bezwaararbeidskundige niet van een motivering is voorzien. Dat leidt evenwel niet tot de conclusie dat deze functie voor eiseres niet passend is, aangezien bij eiseres met betrekking tot het bovenschouder actief zijn geen beperkingen zijn aangenomen. Hetzelfde geldt voor de signalering bij rubriek 7.1.0 (Probleemoplossen) bij alle drie de geduide functies. Uit de FML kan echter op geen enkele wijze worden afgeleid dat eiseres beperkt zou zijn wat betreft haar probleemoplossend vermogen. Deze omissie kan daarom ook niet leiden tot de conclusie dat de geduide functies niet geschikt zijn. De overige signaleringen zijn thans van een deugdelijke arbeidskundige motivering voorzien. Daarmee heeft verweerder aan de in bovengenoemde uitspraak door de rechtbank gegeven opdracht voldaan.”.
- In hoger beroep is door appellante -samengevat- het standpunt ingenomen dat de door de rechtbank in haar uitspraak gesignaleerde omissie had moeten leiden tot de conclusie dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Deze conclusie had vervolgens moeten leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit, eventueel met in stand lating van de rechtgevolgen. Appellante is ook van mening dat door de rechtbank onvoldoende gemotiveerd is waarom zij, met inachtneming van haar medische beperkingen in staat kan worden geacht de geduide functies te verrichten. Tot slot is naar de mening van appellante sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en is het Uwv dan wel de Staat der Nederlanden als gevolg daarvan jegens haar schadeplichtig. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- De Raad heeft, mede gelet op het in hoger beroep door het Uwv overgelegde rapport van bezwaararbeidsdeskundige C.H.J. de Vries-Van Hulten van 22 februari 2010, geen aanleiding gezien om met betrekking tot de vraag of appellante in staat kan worden geacht om, rekening houdende met haar medische beperkingen, de aan de schatting ten grondslag liggende functies te vervullen, tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Gelet op de in het eerder genoemde rapport door de bezwaar-arbeidsdeskundige gegeven toelichtingen ten aanzien van de signaleringen bij de aspecten 7.1 en 5.7 is de Raad van oordeel dat de belastbaarheid van appellante in de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet wordt overschreven. 4.
- Het hoger beroep slaagt in zoverre dus niet. 4.
- Aangezien eerst in hoger beroep de passendheid van de functies voldoende is toegelicht ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de door appellante in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. 4.
- De gemachtigde van appellante heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. 4.
- De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt. 4.
- Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 4.6 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. 4.
- Zoals de Raad heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 25 maart 2009 (LJN BH9991), moet in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie). 4.
- Zoals de Raad heeft overwogen in voormelde uitspraak van 26 januari 2009 is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. 4.
- Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 13 oktober 2004 van het eerste bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak (29 september 2010) zijn bijna zes jaar verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met bijna 2 jaar overschreden. De Raad stelt vast dat de behandeling door de rechtbank telkens minder dan anderhalf jaar heeft geduurd en dat de behandeling bij de Raad binnen de termijn van twee jaar is gebleven. Hieruit volgt dat de gehele overschrijding van de redelijke termijn aan het Uwv is toe te rekenen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door appellante geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van vier maal € 500,-, derhalve € 2.000,-. 4.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond zal verklaren, het bestreden besluit zal vernietigen, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zal laten en het Uwv zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 2.000,-.
- De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-, voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 437,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in totaal € 759,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,-; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 759,- te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt; Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september
- (get.) D.J. van der Vos. (get.) A.L. de Gier. KR