08/4493 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 juni 2008, 07/6966 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College) Datum uitspraak: 21 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.L. Plokker, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus
- Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Vukovic, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Op de aan de betaalrekening van appellante gekoppelde spaarrekening stond op 17 mei 2004 een bedrag van € 22.365,
- Op die dag is het gehele saldo van die rekening overgemaakt naar de betaalrekening. Op 19 mei 2004 is dit bedrag in contanten van de betaalrekening opgenomen. 1.
- Op 15 juni 2004 heeft appellante zich gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (hierna: CWI). Zij heeft toen een aanvraag- en inlichtingenformulier voor bijstand ontvangen. Op 19 augustus 2004 heeft appellante een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zij heeft daarbij geen melding gemaakt van de spaarrekening. Het College heeft appellante met ingang van 19 augustus 2004 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Haar vermogen is vastgesteld op € 0,--. 1.
- Het College heeft in december 2005 en januari 2007 vermogenssignalen afkomstig van het Inlichtingenbureau ontvangen. Volgens deze signalen heeft appellante in 2004 een bedrag van € 788,-- en in 2005 een bedrag van € 219,-- aan rente ontvangen op de genoemde spaarrekening. Naar aanleiding hiervan heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Daarbij zijn afschriften van de spaarrekening en de betaalrekening opgevraagd en is appellante gehoord. 1.
- Op basis van dit onderzoek heeft het College bij besluit van 4 mei 2007 de bijstand van appellante over de periode van 19 augustus 2004 tot en met 31 januari 2007 ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 33.402,63 van appellante teruggevorderd op de grond dat appellante door de spaarrekening te verzwijgen haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. 1.
- Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2007 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 14 april 2008 heeft het College het besluit van 30 juli 2007 ingetrokken en - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2007 gegrond verklaard, de bijstand ingetrokken over de periode van 19 augustus 2004 tot en met 29 augustus 2005 en een bedrag van € 11.328,09 van appellante teruggevorderd. Dit besluit berust op de overweging dat appellante niet heeft aangetoond dat het saldo op de spaarrekening niet tot haar vermogen behoorde en dat appellante dus over dit bedrag kon beschikken. Op grond hiervan is het vermogen van appellante bij aanvang van de bijstand opnieuw vastgesteld en bepaald dat appellante met toepassing van een interingsnorm van anderhalf maal de bijstandsnorm over de genoemde periode geen recht had op bijstand.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep tegen het besluit van 14 april 2008 ongegrond verklaard.
- Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft in hoger beroep haar betoog herhaald dat het onder 1.1 genoemde bedrag niet haar toebehoorde, maar een neef die illegaal verbleef in Nederland, en dat zij niet meer over dit bedrag beschikt, omdat het gestort is op een bankrekening van haar oom.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. 4.
- Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het gegeven dat een bank- of spaarrekening op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat het daarop staande saldo behoort tot diens vermogen. Het is dan aan die betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. 4.
- De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat appellante dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Haar verklaring, dat het saldo op de onder 1.1 genoemde spaarrekening toebehoorde aan haar neef, die geen rechtmatig verblijf had in Nederland en daarom zijn gespaarde middelen niet op een bankrekening kon storten, is op geen enkele manier onderbouwd. Dat kan ook niet volgen uit de stelling, dat appellante dit saldo heeft opgenomen en afgegeven aan die neef, en dat die het vervolgens gestort heeft op de bankrekening van zijn vader. Uit deze stelling volgt immers niet dat dit saldo behoorde tot het vermogen van een ander, doch slechts dat appellante erover kon beschikken en dat gedaan heeft. Dat het ging om een terugbetaling volgt niet uit de enkele betaling. 4.
- Eveneens is de Raad met de rechtbank en het College van oordeel dat appellante door niet spontaan melding te maken van de onder 1.1 genoemde spaarrekening en opname in contanten een maand voor de melding bij het CWI en drie maanden voor de aanvraag om bijstand de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Gelet op de hoogte van het daarmee gemoeide bedrag en de korte periode tot aan de melding en de aanvraag moet het appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat dit gegeven van invloed kon zijn op haar recht op bijstand. Voorts heeft appellante haar inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van die spaarrekening, ook al was het saldo daarop nul, en van de daarop door haar in 2004 en 2005 ontvangen rente. 4.
- Haar eerder vermelde stelling dat appellante niet meer over het onder 1.1 genoemde bedrag beschikt heeft zij slechts onderbouwd met een afschrift van de rekening van [G.], waaruit volgt dat op 25 mei 2004 een bedrag van € 20.000,-- in contanten is gestort en vervolgens is overgeschreven naar een kapitaalrekening. Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat appellante daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van de bijstandsverlening niet meer beschikte over het onder 1.1 genoemde bedrag. Daartoe is van belang dat de contante opname en storting in data en bedragen niet sporen en dat de verklaring waarom het bedrag niet rechtstreeks is overgemaakt, namelijk gelegen in de Turkse cultuur en gebruiken, ontoereikend is. 4.
- Bij die stand van zaken heeft het College zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het vermogen van appellante gedurende de hier in geding zijnde periode de voor haar geldende vermogensgrens overschreed. Het College was derhalve bevoegd over te gaan tot intrekking van de bijstand over deze periode met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Appellante heeft de wijze waarop het College zijn bevoegdheid heeft uitgeoefend niet bestreden. Evenmin heeft zij de daarop steunende bevoegdheid tot terugvordering van de kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bestreden, noch de wijze waarop deze laatste bevoegdheid is uitgeoefend. Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt. 5.De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september
- (get.) J.C.F. Talman. (get.) N.M. van Gorkum. HD