09/1728 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 maart 2009, 08/2538 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Minister van Financiën als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: minister) Datum uitspraak: 9 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli
- Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. Laurs, werkzaam bij de Belastingdienst. II. OVERWEGINGEN
- Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Financiën, is in verband met een wijziging van taken voorgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Financiën.
- Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 2.
- Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst in groepsfunctie C bij de Douane [district] met als plaats van tewerkstelling [plaatsnaam]. In het kader van een landelijke wervingsactie van de Belastingdienst voor onder meer E-functionarissen, heeft appellant naar deze groepsfunctie gesolliciteerd. Met ingang van 1 november 2006 is hij met toepassing van artikel 57, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) ook in die functie aangesteld. Voordat hij daadwerkelijk werkzaamheden in die functies is gaan verrichten, heeft hij eerst de daarvoor noodzakelijke interne opleiding voltooid. Na het voltooien van die opleiding is appellant met ingang van 1 juli 2008 ingeschaald in de bij de functiegroep E behorende salarisschaal. 2.
- Bij brief van 8 november 2006 heeft appellant verzocht om hem op grond van artikel 22c van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Ambtenaren 1984 (BBRA) en hoofdstuk 4, onderdeel 1.9.
- van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB) een mobiliteitstoeslag toe te kennen. Bij het bestreden besluit van 29 april 2008 heeft de minister de afwijzing van dit verzoek gehandhaafd.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechts-gevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft eerst overwogen dat, anders dan in artikel 4.1.9.2, tweede lid, vijfde gedachtestreepje, van het RPVB is bepaald, appellant niet voorafgaande aan de benoeming in de groepsfunctie E een opleiding heeft gevolgd maar na in die functie benoemd te zijn, zodat de daarin omschreven situatie waarin geen mobiliteitstoeslag wordt toegekend zich hier niet voordoet. Dit bracht de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en daarom wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd. Voorts heeft de rechtbank het standpunt van de minister, uiteengezet in het verweerschrift, gevolgd dat met de benoeming van appellant in de groepsfunctie E het dienstbelang niet was gemoeid. Daarom staat artikel 22c van het BBRA aan het toekennen van een mobiliteitstoeslag aan appellant in de weg, aldus de rechtbank. Deze overweging heeft de rechtbank geleid tot de beslissing dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven, met een beslissing inzake griffierecht.
- Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is beslist dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten worden. De minister heeft berust in de aangevallen uitspraak en bevestiging daarvan, voor zover aangevochten, bepleit.
- Gelet op hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 5.
- De Raad stelt voorop dat in dit geding, gelet op de standpunten van partijen, uitsluitend aan de orde is de vraag of recht bestaat op mobiliteitstoeslag vanwege het ontbreken van dienstbelang bij de benoeming van appellant in groepsfunctie E. 5.
- In de lijn van hetgeen hij in zijn uitspraak van 14 januari 2010, LJN BL1652, rechtsoverwegingen 3.1 en 3.2, heeft overwogen, is de Raad ook in dit geding van oordeel dat, gelet op de nota van toelichting op artikel 22c van het BBRA (Staatsblad 2001, 99) en de nadere uitwerking daarvan in het RPVB, het begrip dienstbelang niet zo beperkt moet worden uitgelegd als de minister heeft betoogd en de rechtbank heeft onderschreven. Uit de tekst van in het bijzonder het RPVB volgt dat een overplaatsing op grond van artikel 57, eerste en tweede lid, onder b, van het ARAR in beginsel aanspraak geeft op de mobiliteitstoeslag, mits niet een van de in punt 2 van onderdeel 1.9.2 omschreven situaties aan de orde is. Het gaat er in essentie om, zoals het RPVB ook aangeeft, dat het functioneren van de organisatie door de plaatsing in de nieuwe functie is gebaat. In de situatie van appellant kan dit niet worden ontkend. Daarom kan hieraan niet afdoen dat, zoals de minister heeft betoogd, dit geval in het teken staat van een wervingsactie die niet, althans niet in de eerste plaats, was gericht op medewerkers van de Belastingdienst, maar op mensen van buiten. 5.
- Reeds hieruit volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. Aan hetgeen appellant overigens nog naar voren heeft gebracht, gaat de Raad voorbij. De aangevallen uitspraak moet, voor zover zij is aangevochten, worden vernietigd omdat er geen reden bestond om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad voorts de minister opdragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
- In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 32,98 aan reiskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; Draagt de minister op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 32,98; Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 223,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september
- (get.) J.G. Treffers. (get.) K. Moaddine. HD