← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BN9383

09/1691 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 30 januari 2009, 07/354 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van Bestuur van het Erasmus MC (hierna: raad van bestuur) Datum uitspraak: 9 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.M.J. Bos, advocaat te Dordrecht. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G.A.M. van Terwisga-van den Broek en H.D. Bijnen, beiden werkzaam bij het Erasmus MC. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant was (aanvankelijk bij de Erasmus Universiteit Rotterdam en vanaf 2003 bij het Erasmus MC) aangesteld als universitair docent (UD) in tijdelijke dienst tot 1 juli 2005 in verband met de tijdelijke beschikbaarheid van financiële middelen dan wel de (mede) uitvoering van een bepaald werk. Hij verrichtte zijn werkzaamheden bij de afdelingen [naam afdeling], en maakte deel uit van de onderzoeksgroep [naam onderzoeksgroep]. De taakomschrijving omvatte het verrichten van onderzoek op het gebied van de medische beeldverwerking en het begeleiden van medewerkers, stagiaires en studenten binnen de groep. Daarnaast werd een actieve medewerking verwacht aan het indienen van subsidieaanvragen bij potentiële geld-verstrekkers om extramurale fondsen te werven. Tot slot diende appellant activiteiten te ondernemen om zijn wetenschappelijke onderzoeksresultaten op internationale congressen te presenteren en in internationale tijdschriften te publiceren. 1.
  4. Op 16 februari 2005 heeft de nieuwe leidinggevende van de [onderzoeksgroep] een kennis-makings- en loopbaangesprek gevoerd met appellant. Daarin is geconstateerd, kort samengevat, dat de core expertise van de [onderzoeksgroep] methodologische beeldverwerking is, dat de vaste staffuncties binnen de groep ingevuld moeten worden door wetenschappers met een methodologische achtergrond en dat appellant niet past in dat profiel. Appellant kan wel een brugfunctie vervullen in de samenwerking met klinische of industriële partners, reden waarom wordt voorgesteld het dienstverband van appellant met één jaar te verlengen. Bij de evaluatie zal gekeken worden naar de wetenschappelijke output, fondsenverwerving en begeleiding van studenten en promovendi, getoetst naar de specificaties van een UD. Bij besluit van 20 mei 2005 is de aanstelling van appellant verlengd tot 1 juli
  5. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd. Daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. 1.
  6. Nadat op 19 juli 2005 een functioneringsgesprek met appellant was gevoerd en gesprekken waren gevoerd over het vervullen van een functie bij Cardialysis, welke niet tot resultaat hebben geleid, is op 18 januari 2006 een personeelsbeoordeling opgemaakt over het functioneren van appellant in de periode juli 2005 tot november
  7. Het samenvattend oordeel luidde: onvoldoende. Nadat appellant hiertegen bedenkingen had ingebracht, is de beoordeling ongewijzigd vastgesteld bij besluit van 25 april
  8. 1.
  9. Bij besluit van 27 april 2006 is appellant meegedeeld dat zijn tijdelijke aanstelling na afloop daarvan op 1 juli 2006 niet zal worden verlengd. De tegen de beoordeling en het besluit tot niet verlenging ingediende bezwaren zijn bij besluit van 1 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
  10. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
  11. Appellant is ook in hoger beroep van mening dat de negatieve beoordeling onvoldoende met concrete gegevens is onderbouwd en onzorgvuldig is voorbereid. Volgens appellant is hij niet beoordeeld in de functie van toegepaste beeldverwerker die hij had, maar naar de gewenste - methodologische - invulling daarvan door de nieuwe leidinggevende; dat acht appellant niet fair. Over de niet verlenging heeft appellant in hoofdzaak gesteld dat hij mocht vertrouwen op een vast dienstverband, dat de beschikbaarheid van de nodige financiën een verlenging niet in de weg stond en dat het werk ook nog aanwezig was. De raad van bestuur heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
  12. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt. 4.
  13. beoordeling 4.1.
  14. Dat de beoordelaars, te weten appellants nieuwe en voormalige leidinggevende, jegens hem bevooroordeeld zouden zijn is door appellant wel gesuggereerd, maar op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Aan die stelling gaat de Raad dan ook voorbij. 4.1.
  15. Dat appellant niet is beoordeeld overeenkomstig de organieke functiebeschrijving onderschrijft de Raad niet. Voor appellant gold de algemene functiebeschrijving van UD, waarin als resultaatsgebieden zijn opgenomen uitvoering van wetenschappelijk onderzoek, kennisoverdracht, begeleiding van wetenschappelijke projecten, verkrijgen van subsidies/werving fondsen en de uitvoering, evaluatie en ontwikkeling van onderwijs. Wat van appellant werd verwacht in zijn functie als UD is hem in januari 2002 nog eens meegedeeld, zoals hiervoor in 1.1 is weergegeven. Blijkens de beoordeling ziet deze op het functioneren van appellant bij het wetenschappelijk onderzoek vasculaire beeldverwerking en het onderwijs op het gebied van medische beeldverwerking. Dat bij de beoordeling is uitgegaan van een andere functie dan die appellant had, acht de Raad derhalve niet aannemelijk geworden. Wel stelt de Raad vast dat appellant niet is beoordeeld op alle aspecten uit de functiebeschrijving. 4.1.
  16. De raad van bestuur heeft het functioneren van appellant als onvoldoende beoordeeld omdat de wetenschappelijke output onvoldoende werd geacht en vanwege appellants beweerdelijk onvermogen de begeleiding van medewerkers goed vorm te geven. Ook is appellant in de loop van de procedure tegengeworpen dat hij onvoldoende aan fondsverwerving heeft gedaan. 4.1.
  17. De Raad stelt wat dit laatste betreft vast dat de beoordeling daarop geen betrekking heeft. Dat verwijt - wat daar overigens ook van zij - kan hier dan ook geen rol spelen. Wat betreft de overige twee aspecten constateert de Raad dat in de beoordeling noch in de begeleidende stukken is voorzien in een concrete onderbouwing aan de hand van voor-beelden, die de gegeven waardering zouden kunnen rechtvaardigen. Over de publicaties van appellant is verklaard dat die achterbleven (schaars en niet in toptijdschriften), zodat geen internationale erkenning is verkregen. Appellant heeft echter een lijst met publicaties in 2006 en nog voorziene publicaties ingediend, waarop hij staat vermeld als co-auteur. Niet gebleken is dat deze lijst bij de beoordeling is betrokken en het is onduidelijk waarop de conclusie dat niet in toptijdschriften is gepubliceerd is gebaseerd. 4.1.
  18. Het negatieve oordeel is daarnaast vooral ingegeven door appellants beweerdelijke onvermogen de begeleiding van medewerkers goed vorm te geven. Appellant heeft gesteld dat hij binnen de vatenlijn leiding heeft gegeven aan twee studenten en één AIO, die uiteindelijk is gepromoveerd. Zijn nieuwe leidinggevende heeft opgemerkt dat hij veel tijd en inspanning heeft moeten leveren om de gebrekkige leiding van appellant te compenseren. Ook hier is niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld met concrete voor-beelden, waarop die opmerking is gebaseerd. Nu het een negatief oordeel betreft lag het op de weg van de raad van bestuur dat wel te doen. Bij gebrek aan onderbouwing berust de beoordeling slechts op kwalificaties, die de rechterlijke toets niet kunnen doorstaan. 4.1.
  19. De Raad komt gelet op het vorenstaande tot de slotsom dat de rechtbank het bestreden besluit voor wat betreft de beoordeling ten onrechte in stand heeft gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen de gehandhaafde beoordeling gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen. Aangezien het geconstateerde gebrek ook kleeft aan het primaire beoorde-lingsbesluit, en de Raad het, gelet op het hierna onder 4.2 overwogene, overbodig acht dat dit gebrek wordt hersteld, zal hij dit primaire besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) herroepen. 4.
  20. niet verlenging van het dienstverband 4.2.
  21. De toetsing van een besluit tot niet verlenging van een tijdelijk dienstverband is terughoudend. Volgens vaste rechtspraak is een bestuursorgaan niet gehouden de aanstelling voor bepaalde tijd na afloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vast dienstverband, tenzij er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, dan wel het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht. 4.2.
  22. Voor zover appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat hem een toezegging op een vast dienstverband is gedaan, volgt de Raad hem niet. In de onderhandelingen die vooraf gingen aan de komst van appellant naar Rotterdam zijn de mogelijkheden op een vast dienstverband positief geschetst, maar dat valt niet aan te merken als een ondubbel-zinnige en ongeclausuleerde toezegging op een zodanig dienstverband. De in de brief van 21 januari 2002 weergegeven intentie om bij goed functioneren en indien de middelen te zijner tijd daarvoor aanwezig zijn de tijdelijke aanstelling te verlengen en eventueel om te zetten in een vaste aanstelling is volgens de bewoordingen een intentieverklaring en geen toezegging. De Raad is daarom met de rechtbank van oordeel dat geen verplichting bestond het dienstverband nog verder te verlengen, dan wel om te zetten in een vast dienstverband. 4.2.
  23. Evenmin kan worden gezegd dat de niet verlenging in strijd komt met enige regel van ongeschreven recht. Dat appellant de verwachting had dat zijn dienstverband zou worden voortgezet en dat hij in die verwachting is teleurgesteld is daarvoor, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende. Appellants verwachtingen waren niet gerechtvaardigd. Appellant wist bovendien al bij de verlenging in 2005 met nog één jaar dat ontevredenheid bestond over de invulling die hij op dat moment gaf aan zijn functie, en dat hij nog één jaar kreeg om daarin verbetering te brengen. Hij heeft daarin berust en zo genoegen genomen met een onzekere toekomst. Appellant heeft voorts erkend dat het hem ontbrak aan de ten tijde in geding gewenste kennis op methodologisch gebied en dat hij er niet in is geslaagd die kennis in het jaar dat hem nog was gegund te verwerven. 4.2.
  24. De omstandigheid dat, zoals appellant heeft aangevoerd, voldoende financiële middelen aanwezig waren om verdere aanstelling van appellant te kunnen financieren en het feit dat de [onderzoeksgroep], en dus het werk, bleef voortbestaan brengt mee dat de raad van bestuur het dienstverband met appellant had kunnen voortzetten, maar betekent niet dat hij daartoe ook gehouden was. In de loop der tijd was het zwaartepunt van de onderzoeks-groep komen te liggen bij het methodologische werk, waarvoor appellant niet goed was toegerust, en dat gegeven mocht de raad van bestuur bij zijn besluitvorming wel degelijk betrekken. 4.2.
  25. Dit alles overziend komt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de niet verlenging van het dienstverband van appellant, stand houdt. De aangevallen uitspraak moet voor zover worden bevestigd.
  26. In hetgeen onder 4.1.6 is overwogen ziet de Raad aanleiding om de raad van bestuur te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,- aan kosten van rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover die betrekking heeft op de beoordeling; Verklaart het beroep tegen de gehandhaafde beoordeling gegrond en vernietigt het besluit van 1 maart 2007 in zoverre; Herroept het besluit van 25 april 2006; Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; Veroordeelt de raad van bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-; Bepaalt dat de raad van bestuur het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 366,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september
  27. (get.) J.G. Treffers. (get.) K. Moaddine. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.