09/471 MAW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Minister van Defensie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Defensie (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2008, 08/937 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) en appellant Datum uitspraak: 16 september 2010 I. PROCESVERLOOP De Staatssecretaris van Defensie heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hendriks, werkzaam bij KPMG Management Services. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [K.], wonende te [woonplaats], Frankrijk. II. OVERWEGINGEN
- Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van appellant. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van appellant, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 2.
- Betrokkene was voor bepaalde tijd aangesteld bij de Koninklijke marechaussee. Met ingang van 31 december 2004 is aan betrokkene eervol ontslag verleend. Aansluitend is betrokkene, met gebruikmaking van het Sociaal beleidskader Defensie, in dienst getreden bij de politie Flevoland. Bij besluit van 24 februari 2005 heeft appellant betrokkene van 1 januari 2005 tot 1 oktober 2006 een uitkering toegekend op grond van de Militaire wachtgeldregeling
- In dat besluit is tevens vastgesteld dat de laatst genoten bezoldiging (hierna: LGB) € 1.904,42 bedraagt en is opgebouwd uit de wedde van € 1.750,39, de vakantie-uitkering van € 140,03 en de eindejaarsuitkering van € 14,
- 2.
- Ter zitting van de rechtbank van 16 september 2008, inzake het beroep van betrokkene tegen een besluit van appellant van 18 december 2007, heeft betrokkene appellant verzocht het besluit van 24 februari 2005 te herzien. Betrokkene heeft daarbij gesteld dat de vliegtoelage die hij destijds ontving ten onrechte niet is meegenomen in de berekening van de LGB en dat bij hem voorafgaande aan zijn ontslag het gerecht-vaardigde vertrouwen is gewekt dat de Vergoeding extra beslaglegging en de Toelage onregelmatige dienst deel uitmaakten van de LGB. Na een verzoek van partijen heeft de rechtbank de behandeling ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. 2.
- Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft appellant het besluit van 24 februari 2005 gehandhaafd op grond van de overweging dat de door betrokkene aangevoerde gronden geen nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn die aanleiding geven dat besluit te herzien. Daarbij heeft appellant toegelicht dat betrokkene destijds geen vliegtoelage, maar vlieggeld ontving en dat dit niet tot de LGB behoort. 2.
- De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 18 december 2007 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 9 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit).
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Daarnaast heeft de rechtbank bepalingen gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in gebreke is gebleven informatie te verstrekken over de bestanddelen die volgens de voorlichting voorafgaand aan het ontslag deel zouden uitmaken van de LGB, waardoor zij in de onmogelijkheid verkeert om het beroep op het vertrouwensbeginsel te toetsen en van oordeel is dat het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek niet in stand kan blijven.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 4.
- Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die een dergelijk terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. 4.
- De Raad is evenals appellant van oordeel dat hetgeen betrokkene heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, aangezien die gronden in het kader van een procedure tegen de vaststelling van de LGB bij besluit van 24 februari 2005 naar voren hadden kunnen worden gebracht. Appellant was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek om herziening af te wijzen. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat appellant niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. 4.
- Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak kan geen stand houden en moet dus worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.
- De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september
- (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) K. Moaddine. HD