09/5842 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 oktober 2009, 09/693 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 6 oktober 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus
- Namens appellant is verschenen, mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van Dijk. II. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 11 september 2008 (hierna: primaire besluit) heeft het Uwv de uitkering die appellant ontving op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 8 september 2008 beëindigd omdat hij niet meer beschikbaar is voor werk. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. 1.
- Bij besluit van 29 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het primaire besluit herroepen en bepaald dat appellant met ingang van 8 september 2008 geen recht meer heeft op een WW-uitkering voor zover dit betreft het recht voor 31,99 uur per week, omdat de geldende uitkeringsduur van dit recht is verstreken. Tevens is besloten tot vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tot een bedrag van € 322,-.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de vergoeding van de kosten van bezwaar betreft, het Uwv veroordeeld tot vergoeding aan appellant van € 322,- aan resterende kosten van bezwaar, bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit en een bepaling gegeven over vergoeding van het door appellant betaalde griffierecht. Met betrekking tot het beroep van appellant tegen het eindigen van het recht op WW-uitkering voor 31,99 uur per week heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij appellant als eiser en het Uwv als verweerder is aangeduid: ”Artikel 20 van de WW bevat een aantal gronden die ertoe leiden dat een bestaand recht op uitkering eindigt. Het recht op uitkering eindigt, ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW, onder meer indien de voor de werknemer maximale uitkeringsduur is verstreken. Blijkens de stukken en door eiser is niet betwist dat eisers recht op een WW-uitkering voor het recht op 31,99 uur, op 7 september 2008 is geëindigd. De rechtbank is van oordeel dat de WW niet voorziet in de mogelijkheid om een WW-uitkering na afloop van de vastgestelde uitkeringsduur voort te zetten. Gelet hierop heeft verweerder geen ruimte om rekening te houden met de door eiser aangevoerde financiële problemen. Deze grief van eiser kan derhalve niet slagen”.
- In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv in redelijkheid tot het besluit had moeten (kunnen) komen om zijn volledige WW-uitkering voort te zetten, nu hij in financiële problemen komt door de onderhavige beëindiging. Appellant heeft er in dat verband op gewezen dat het voor hem geen optie is om een aanvullende uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand aan te vragen omdat de ervaring leert dat men hem in dat kader wenst te plaatsen op een sociale werkplaats.
- De Raad overweegt het volgende. 4.
- De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het eindigen van het recht op WW-uitkering in verband met het bereiken van de maximale uitkeringsduur. De Raad onderschrijft dat oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. 4.
- Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten in hoger beroep, voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober
- (get.) H.G. Rottier. (get.) M.A. van Amerongen. TM