09/5826 AWBZ Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante) tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2009, 09/2004 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en het Centraal Administratie Kantoor (hierna: CAK). Datum uitspraak: 22 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft haar zoon, [naam zoon], wonende te [woonplaats], hoger beroep ingesteld. CAK heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus
- Voor appellante is haar zoon verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door haar medewerkster A.M.D. Burlage. II. OVERWEGINGEN
- Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.
- Bij besluit van 28 april 2009 heeft CAK het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2009, waarbij op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere ziektekosten (AWBZ) aan appellante in verband met haar verblijf in het verpleeghuis “[naam verpleeghuis]” te [woonplaats], per 1 januari 2009 een (zogeheten: hoge) eigen bijdrage van € 561,72 per maand is vastgesteld, ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 april 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat CAK, gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 4 van het Bijdragebesluit zorg (hierna: Besluit), bezien in samenhang met artikel 6 van het Besluit, gehouden is om daaraan uitvoering te geven en niet bevoegd is om een lagere eigen bijdrage vast te stellen. De rechtbank ziet geen aanleiding de berekening van de eigen bijdrage voor onjuist te houden. De door appellante genoemde kosten van huur, voedingsupplementen en juridische procedures behoren niet tot de in het Besluit of de Bijdrageregeling zorg AWBZ genoemde posten die op het inkomen in mindering moeten worden gebracht.
- Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens haar gemachtigde is de kwaliteit van de aangeboden zorg niet evenredig met de hoogte van de eigen bijdrage; “het is een hap voer met een luiercentrale geworden veelal met onopgeleide werknemers”. Hij acht het niet juist dat een kwetsbare oudere zoals appellante op een gesloten afdeling van een instelling wordt geplaatst, slechts summiere zorg ontvangt en wel een hoge eigen bijdrage moet betalen. Voorts verzoekt appellante om vergoeding van het griffierecht dat in eerste aanleg is betaald.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Appellante betwist niet dat de eigen bijdrage is berekend overeenkomstig hetgeen daarover is bepaald in het Bijdragebesluit zorg, maar zij acht onjuist dat zij deze eigen bijdrage volledig zou moeten betalen, omdat (de kwaliteit van) de in het verpleeghuis geboden zorg niet evenredig is met de door CAK vastgestelde eigen bijdrage. 4.
- Blijkens artikel 6, derde lid, van de AWBZ kan bij algemene maatregel van bestuur als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking worden gesteld, dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. Artikel 2, eerste lid, van de desbetreffende algemene maatregel van bestuur, het Bijdragebesluit zorg, bepaalt dat de verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten van de zorg, verleend door een instelling of verzorgingshuis. Hij is deze bijdrage, welke wordt vastgesteld volgens de in het Besluit gegeven regels van dwingendrechtelijke aard, volgens artikel 3, eerste lid van het Besluit, verschuldigd aan CAK. 4.
- Uit deze bepalingen moet worden afgeleid dat CAK gehouden is in verband met verblijf in een instelling van de betrokkene een eigen bijdrage te heffen overeenkomstig hetgeen dwingendrechtelijk is voorgeschreven in het Bijdragebesluit zorg. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 11 maart 2009 (www.rechtspraak.nl LJN: BH7712) leidt dit alleen uitzondering, indien de verleende zorg zich niet kan kwalificeren als zorg waarop de verzekerde overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de AWBZ recht heeft. Het ligt op de weg van de verzekerde die zich op deze uitzondering wenst te beroepen, om deugdelijk en met verifieerbare gegevens te onderbouwen dat van een dergelijke uitzonderingssituatie sprake is. Zoals ook reeds in genoemde uitspraak, die betrekking heeft op de door appellante verschuldigde eigen bijdrage per 10 maart 2007, is overwogen, is enkel de stelling dat de geboden zorg niet voldoende is, daartoe onvoldoende. Dit geldt eveneens voor de thans door appellante ingenomen stelling dat de eigen bijdrage niet evenredig is aan de verleende zorg. Nu van de zijde van appellante niet voldaan is aan de hiervoor vermelde eis van onderbouwing dat van een uitzonderingssituatie sprake is, kan haar grief geen doel treffen. De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. 4.
- Gelet hierop heeft de rechtbank terecht niet bepaald dat CAK het griffierecht moet vergoeden aan appellante. 4.
- De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september
- (get.) G.M.T. Berkel-Kikkert. (get.) B. Bekkers. HD