09/4289 WUV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 23 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 juni 2009, kenmerk BZ 48385, JZ/D80/2009, ten aanzien van appellant genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wuv). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010. Appellant is daar, zoals tevoren schriftelijk bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN 1.1. Aan appellant is ingevolge de Wuv een periodieke uitkering toegekend met ingang van 1 augustus 1998. In mei 2007 is appellant 65 jaar geworden en is aan hem een pensioenuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. De echtgenote van appellant heeft met ingang van maart 2009 een AOW-pensioen toegekend gekregen. 1.2. In maart 2009 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen verweersters voorschot-berekening van 31 maart 2009 van zijn periodieke uitkering, die met ingang van die maand is vastgesteld op € 0,00. Appellant stelde in bezwaar: (
- i)dat zijn PPGM-pensioen € 63,47 minder bedraagt dan door verweerster is aangenomen, zodat teveel gekort is op zijn periodieke uitkering; (
- ii)dat de op 1 januari 2009 in werking getreden regelgeving met betrekking tot vermogenstoeval ongelijke behandeling van gelijke gevallen bewerkstelligt omdat na die datum verworven vermogen niet wordt meegenomen in de berekening van de periodieke uitkering, terwijl dat met vóór die datum toegevallen vermogen nog steeds wel gebeurt. 1.3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant, hiervoor vermeld onder (i), gegrond verklaard. In zijn bezwaar vermeld onder (
- ii)heeft verweerster appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat met betrekking tot de vermogensinkomsten waarmee rekening wordt gehouden bij de berekening van het aan appellant toekomende voorschot op zijn periodieke uitkering geen (nieuw) besluit is genomen in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 1.4. Het beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de niet-ontvankelijkheids-verklaring van zijn bezwaar betreffende de bij de berekening van zijn periodieke uitkering betrokken vermogensinkomsten. 2. De Raad staat in dit geding voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op wat partijen in beroep hebben aangevoerd, in stand kan blijven. De Raad overweegt het volgende. 2.1. Bij de gedingstukken bevindt zich de beslissing van 31 januari 2009 met de voorschotberekening van appellants periodieke uitkering. Hieruit blijkt dat er in verband met vermogensinkomsten € 105,53 op de uitkering van appellant is gekort. In de berekeningsbeslissing van 31 maart 2009, waartegen het bezwaar van appellant zich richt, is wederom € 105,53 gekort op zijn uitkering in verband met vermogensinkomsten. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat verweerster appellant terecht in zijn bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, voor zover zich dat richtte op de korting wegens vermogensinkomsten, omdat daarover in de berekeningsbeslissing van 31 maart 2009 geen (nieuw) besluit is genomen. 2.2. Ten overvloede en ter voorlichting van appellant, merkt de Raad nog het volgende op. 2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, onder b, van de Wuv - voor zover relevant - wordt, indien de uitkeringsgerechtigde 65 jaar of ouder is en pensioengerechtigd ingevolge de AOW, het bruto ouderdomspensioen van de uitkeringsgerechtigde en de echtgenoot op de Wuv-uitkering in mindering gebracht. 2.4. Uit de hiervoor genoemde berekeningsbeslissingen van 31 januari 2009 en 31 maart 2009 blijkt dat de grotere korting op de periodieke uitkering van appellant per maart 2009 het gevolg is van de toekenning van een AOW-pensioen aan zijn echtgenote met ingang van die maand. Immers, in januari 2009 bedroeg het AOW-pensioen van appellant € 654,23 en vanaf maart 2009 ontvangen appellant en zijn echtgenote samen € 1.181,42 aan AOW-pensioen. 2.5. Het vorenstaande betekent dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden. 3. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.L.C. Hermans als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2010. (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) M. Lammerse. HD