← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0302

10/1565 AKW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2010, 08/4386 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). Datum uitspraak: 30 september 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2010. Voor appellante is verschenen mr. S. Wierink. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. 1.1. Appellante is op 23 september 1994 vanuit het voormalige Joegoslavië naar Nederland gekomen. Appellante woont in bij familie door wie zij ook wordt onderhouden. Sedert 1996 heeft appellante meerdere verzoeken tot verblijf ingediend en bij besluit van 18 december 2007 is haar met terugwerkende kracht met ingang van 10 september 2003 een verblijfsvergunning verleend. Met ingang van 8 januari 2008 ontvangt appellante een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand en sedert 21 februari 2008 heeft appellante de beschikking over een zelfstandige huurwoning. Op 4 maart 2008 heeft appellante verzocht om kinderbijslag voor haar vijf kinderen. Bij besluit van 15 april 2008 heeft de Svb kinderbijslag met ingang van het eerste kwartaal van 2008 toegekend. Bij besluit van 13 juni 2008 heeft de Svb appellante medegedeeld dat zij over het eerste kwartaal van 2007 tot en met het vierde kwartaal van 2007 geen recht op kinderbijslag heeft omdat zij niet in Nederland woonde of werkte en geen geldige verblijfsvergunning had. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft de Svb bij besluit van 6 oktober 2008 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante over de periode van het eerste kwartaal van 2007 tot en met het vierde kwartaal van 2007 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat zij niet verzekerd is voor de AKW. 3.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:

  1. a)ingezetene is;
  2. b)geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. Niet in geschil is dat appellante op de peildata van het eerste kwartaal van 2007 tot en met het vierde kwartaal van 2007 niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen. 4.2. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste rechtspraak van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van een sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft. 4.3. Met betrekking tot het recht op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2007 tot en met het vierde kwartaal van 2007 is de Raad van oordeel dat gelet op het totaalbeeld van de juridische, economische en sociale factoren er geen ondersteuning is voor de stelling van appellante dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven al op de peildata van het eerste tot en met vierde kwartaal van 2007 in Nederland ligt en dat zij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW. De Raad overweegt daartoe als volgt. 4.4. De Svb, zich baserend op verkregen informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst, gaat er terecht van uit dat appellante eerst vanaf 18 december 2007 rechtmatig in Nederland verblijft. Op grond van constante rechtspraak van de Raad is de datum van de beschikking van de Minister van Justitie bepalend voor de vraag of sprake is van een juridische binding met Nederland. Tot die datum blijft immers onzekerheid bestaan ten aanzien van de verblijfstitel. 4.5. Met betrekking tot de economische binding van appellante met Nederland is de Raad van oordeel dat deze niet aanwezig is. De Raad overweegt daartoe dat appellante in de periode in geding geen eigen inkomen genoot, maar afhankelijk was van haar familie, van de kerk en van giften. Daarnaast beschikte appellante tot 21 februari 2008 niet over eigen zelfstandige woonruimte. 4.6. Wat de sociale binding van appellante met Nederland betreft is de Raad met de rechtbank van oordeel dat enige sociale binding appellante niet ontzegd kan worden, maar dat die zeker niet zo sterk is dat deze ten tijde in geding het ontbreken van zowel een juridische binding als een economische binding compenseert. 4.7. Gelet op het totaalbeeld van de ter zake doende factoren ziet de Raad geen ondersteuning voor de stelling van appellante dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven reeds op de peildata van het eerste kwartaal van 2007 tot en met het vierde kwartaal van 2007 in Nederland ligt en dat zij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW. 4.8. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking. 5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009. (get.) R.C. Schoemaker. (get.) R.L.G. Boot. Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene. IJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.