09/1124 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 januari 2009, 08/462 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Korpsbeheerder van de politieregio Zeeland (hierna: de korpsbeheerder) Datum uitspraak: 30 september 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.W.H. van den Berg, werkzaam bij de politieregio Zeeland. II. OVERWEGINGEN
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant is sinds 1991 werkzaam als executief politieambtenaar. Per 1 januari 2001 is de Regeling Functioneel Leeftijdsontslag voor de politie vervangen door de Aanvullende Flexibele Uittredingsregeling Politie (AFUP), dit ter aanvulling op de algemene Flexibel Pensioen en Uittredingsregeling (FPU), met een bijbehorende garantieregeling, de AFUP-garantieregeling. Per 1 januari 2006 is de AFUP in verband met de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling vervangen door een levensloopregeling. Als uitvloeisel van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 1 juni 2005 tot en met 31 december 2007 is de korpsbeheerder vanwege de afschaffing van de AFUP overgegaan tot verlening van vervangende voorzieningen, te weten extra inkoop van pensioenaanspraken en verlening van een zogeheten inhaaltoelage bezwarende functies (hierna: inhaaltoelage) voor de ambtenaren aan wie in het kader van de AFUP garantiejaren waren toegekend. Verlening van de inhaaltoelage is er op gericht te bewerkstelligen dat ambtenaren die minder dan 25 garantiejaren hebben opgebouwd op 60-jarige leeftijd kunnen uittreden met een pensioen dat gebaseerd is op 76% van het middelloon. Vaststelling van de hoogte van de inhaaltoelage is mede afhankelijk van de eventuele inkoop van extra pensioenaanspraken over de periode vóór 1 januari
- 1.
- Bij besluit van 12 oktober 2006 heeft de korpsbeheerder aan appellant een inhaaltoelage toegekend. Bij besluit van 5 juni 2007 heeft de korpsbeheerder aan appellant meegedeeld dat de verlening van deze toelage met ingang van juni 2007 wordt beëindigd. Hierbij is vermeld dat de militaire diensttijd van appellant zijn toegevoegd aan zijn pensioengeldige tijd en dat als gevolg hiervan geen recht meer bestaat op de inhaaltoelage. Verder is hierbij aangegeven dat de tot en met mei 2007 verstrekte bedragen niet zullen worden teruggevorderd. Bij besluit van 29 april 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de korpsbeheerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juni 2007 ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.
- Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat hij door de beëindiging van de inhaaltoelage ontoelaatbaar wordt benadeeld. Hierbij heeft hij er met name op gewezen dat de inhaaltoelage aan zijn levensloopregeling werd toegevoegd en dat hij de desbetreffende bedragen, binnen de mogelijkheden die de levensloopregeling biedt, naar eigen inzicht voor diverse doeleinden kon aanwenden. Aldus is hem een eenmaal toegekend voordeel ontnomen. 3.
- De korpsbeheerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende. 4.
- Uit hetgeen onder 1.1 is vermeld, volgt dat verlening van de inhaaltoelage tot doel heeft om voor ambtenaren die tot de doelgroep behoren een tekort aan garantiejaren, dat wil zeggen: minder dan 25 jaar, te compenseren en om aldus te bewerkstellingen dat zij op 60-jarige leeftijd kunnen uittreden met een pensioen dat gebaseerd is op 76% van het middelloon. De Raad stelt vast dat, zoals door de gemachtigde van de korpsbeheerder ter zitting uitdrukkelijk is bevestigd, appellant door de toevoeging van zijn militaire diensttijd aan zijn pensioengeldige tijd 25 garantiejaren zal opbouwen en dat door de korpsbeheerder is gegarandeerd dat appellant met 60 jaar kan uittreden met een pensioen dat gebaseerd is op 76% van het voor hem geldende middelloon. Gelet hierop is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, in aanmerking genomen het doel van de inhaaltoelage, niet kan worden gezegd dat appellant is benadeeld door de beëindiging van deze toelage. De Raad is niet tot het oordeel gekomen dat de korpsbeheerder niet in redelijkheid tot deze beëindiging kon overgaan dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant een voordeel is ontnomen waarop hij geen recht had en dat de korpsbeheerder aan de beëindiging geen terugwerkende kracht heeft verleend en heeft afgezien van terugvordering van de tot en met mei 2007 verstrekte bedragen. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep treft dus geen doel en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht is geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september
- (get.) J.G. Treffers. (get.) K. Moaddine. HD